In deze les zitten 10 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 80 min
Onderdelen in deze les
4.b De structuur van een tekst
Slide 1 - Tekstslide
Programma
-Huiswerk nakijken + controleren
10 min
-Herhalen vorige les
10 min
-De structuur van een tekst
10 min
-Zelfstandig oefenen
45 min
Slide 2 - Tekstslide
Leerdoelen
Wat behandelen we vandaag?
Ik weet uit welke onderdelen een tekststructuur bestaat.
Ik kan een inleiding, middenstuk (kern) en slot in een tekst herkennen.
Ik kan de structuur van een tekst aanwijzen en uitleggen wat de functie ervan is.
Ik kan een passende structuur voor een tekst bedenken en op basis daarvan een tekst uitwerken.
Slide 3 - Tekstslide
Wat weet je nog van vorige les?
Slide 4 - Woordweb
Een gedicht zegt meer
Grijpbaar;
Spel;
Gevoelens uiten;
Het onzegbare zeggen;
Overal.
Slide 5 - Tekstslide
Startopdracht
Hieronder staan twee afbeeldingen van dezelfde tekst.
Welk verschil zie je tussen de afbeeldingen?
Welke tekst lijkt je prettiger om te lezen? Leg uit waarom.
Slide 6 - Tekstslide
De structuur van een tekst
Alinea --> een deel van een tekst, onderscheiden door witregels.
Inleiding --> de aankondiging van een tekst.
Middenstuk --> de kern, daar waar de deelonderwerpen worden behandeld.
Slot --> de afsluiting van het verhaal.
Slide 7 - Tekstslide
Voor het maken van een werkstuk moet je vaak teksten kiezen. Hoe kun je, zonder de hele tekst te lezen, snel bepalen of deze past bij het onderwerp van jouw werkstuk?
Slide 8 - Open vraag
Oefeningen
Wie?
Zelfstandig.
Wat?
Hoofdstuk 4 paragraaf b, de structuur van een tekst, opdracht 3-9.
Hoe?
Oefenboek blz 62-65.
Handboek blz 50-51.
Hulp?
Docent.
Tijd?
Tot 12:50.
Uitkomst?
Je beheerst de leerdoelen.
Klaar?
Huiswerk volgende week, zie Magister/Studiewijzer.
Slide 9 - Tekstslide
Welke leerdoelen beheers je nu?
Deze leerdoelen beheers ik nu al
Deze leerdoelen beheers ik nog niet. Dus ga ik hier nog mee verder oefenen/lezen. Anders vraag ik hulp aan de docent.
Ik weet uit welke onderdelen een tekststructuur bestaat.
Ik kan een inleiding, middenstuk (kern) en slot in een tekst herkennen.
Ik kan de structuur van een tekst aanwijzen en uitleggen wat de functie ervan is.
Ik kan een passende structuur voor een tekst bedenken en op basis daarvan een tekst uitwerken.