HV1B - Nederlands - formuleren, paragraaf 5

Zoek de taalfout!
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1-3

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 70 min

Onderdelen in deze les

Zoek de taalfout!

Slide 1 - Tekstslide

Programma
  • (Lezen in je leesboek)
  • Terugblik: leerdoelen vorige les
  • Leerdoelen
  • Lastige verwijswoorden - theorie
  • Lastige verwijswoorden - aan de slag
  • Huiswerk 
  • Leerdoelen check

Slide 2 - Tekstslide

Lezen in je leesboek
timer
15:00

Slide 3 - Tekstslide

Leerdoelen vorige lessen
1. Ik kan deze, die, dit, dat gebruiken om te verwijzen naar een zelfstandig naamwoord.
2. Ik kan een persoonlijk voornaamwoord gebruiken om terug te verwijzen naar een zelfstandig naamwoord.
3. Ik kan een bezittelijk voornaamwoord gebruiken om terug te verwijzen naar een zelfstandig naamwoord.

Slide 4 - Tekstslide

Voorbeelden van persoonlijke voornaamwoorden zijn
A
Mijn, jullie, ons, jouw
B
Deze, die, dit, dat
C
Ik, jullie, wij, jou

Slide 5 - Quizvraag

Kies het juiste verwijswoord dat op de puntjes past:
Omdat Jada niet naar school wil, moet .... moeder de conciërge bellen.
A
zijn
B
hun
C
haar

Slide 6 - Quizvraag

Leerdoelen vandaag
  1. Ik kan op de juiste manier verwijzen met zij/hen/hun.
  2. Ik kan op de juiste manier verwijzen met dat/wat.
  3. Ik kan op de juiste manier verwijzen met waarmee/met wie.

Slide 7 - Tekstslide

Verwijswoorden - herhaling

Met verwijswoorden verwijs je terug naar personen of dingen die al eerder in de tekst genoemd zijn.
Hiermee voorkom je dat je continu dezelfde woorden herhaalt. Met verwijswoorden maak je een tekst leesbaarder. 
We hebben het gehad over:
- deze, die, dit, dat (betrekkelijke voornaamwoorden)
- persoonlijke voornaamwoorden als verwijswoorden: hij, hem, haar, etc.
- bezittelijke voornaamwoorden als verwijswoorden: mijn, uw, jouw, etc.

Slide 8 - Tekstslide

Lastige verwijswoorden

Er zijn een paar verwijswoorden waarmee veel fouten gemaakt worden. Herken je ze?

Slide 9 - Tekstslide

Zij, hun of hen? De docenten geven aan [zij]/[hun]/[hen] het diploma.
A
zij
B
hun
C
hen

Slide 10 - Quizvraag

Kies het juiste voornaamwoord.

Hij zei iets ... ik niet begreep.
A
die
B
wie
C
dat
D
wat

Slide 11 - Quizvraag

Vul in: Het meisje ...... ik verliefd ben
A
op wie
B
waarop

Slide 12 - Quizvraag

Lastige verwijswoorden

Hen of hun?
Je gebruikt het verwijswoord 'hen' als lijdend voorwerp (lv) en na een voorzetsel (vz). Het verwijswoord hun gebruik je als meewerkend voorwerp (mv) zonder voorzetsel.
– Sinds Samira’s buren geëmigreerd zijn, heeft ze hen (lv) niet meer gezien.
– Mijn vrienden snapten wiskunde niet, dus heb ik hun (mv) de sommen uitgelegd. Mijn aantekeningen heb ik ook aan (vz) hen gegeven.

Slide 13 - Tekstslide

Lastige verwijswoorden

Dat of wat?
Je gebruikt het verwijswoord wat om te verwijzen naar:
– de woorden dat en datgene: Dat wat je nu geleerd hebt, moet je goed onthouden.
– de woorden alles, iets, niets, het enige: Iets wat je niet begrijpt, kun je vragen in de les.
– een overtreffende trap met het, zonder zelfstandig naamwoord (het beste, het duurste enzovoort): Bungeejumpen is het engste wat Tamara ooit gedaan heeft.
– een hele zin: Maxime loopt elke dag hard, wat goed is voor zijn gezondheid.

Slide 14 - Tekstslide

Lastige verwijswoorden

Waar + voorzetsel of voorzetsel + wie?
Naar dieren en dingen verwijs je met waar+voorzetsel (waarmee, waarover enzovoort), naar mensen verwijs je met voorzetsel + wie (met wie, over wie enzovoort).
– Is het besluit waartegen we protesteerden, weer teruggedraaid?
– De jongen op wie Fabienne smoorverliefd is, heet Darius de Meder.

Het juiste voorzetsel leid je af uit de rest van de zin. Je schrijft waartegen, want het is ‘tegen iets protesteren’ en op wie, want het is ‘verliefd zijn op iemand’.

Slide 15 - Tekstslide

Aan de slag!
1. Ga weer naar blz. 238 in je boek.
2. Maak opdrachten 1 t/m 3.
3. Klaar? Opdracht 6.

Je werkt zelfstandig.
Je werkt op fluistertoon.
timer
15:00

Slide 16 - Tekstslide

Bespreken / nakijken
1. Ga weer naar blz. 238 in je boek.
2. Maak opdrachten 1 t/m 3.

Slide 17 - Tekstslide

Huiswerk 
1. Schrijf een tekst van ongeveer 150 woorden over je favoriete zanger/artiest/band/dj/rapper. Je mag ook een ander idool kiezen.

2. Geef in de tekst je mening over je idool en leg ook uit waarom dat je mening is (dit noemen we een argument).
3. Gebruik in je tekst ten minste tweemaal een van de volgende woorden als verwijswoorden: die, deze, dit en dat.
Bijvoorbeeld: 'Bruno Mars brengt regelmatig een nieuwe single uit. Dat vind ik altijd erg leuk.
4. Gebruik in je tekst twee verwijswoorden die verwijzen naar personen of naar bezit. Bijvoorbeeld: 'Ik vind Messi de beste voetballer van de wereld. Hij heeft vaak de gouden bal gewonnen.'
5. Schrijf de tekst in je schrift en neem de tekst mee naar de les. 



Slide 18 - Tekstslide

Huiswerk - elkaar feedback geven
De opdracht: Schrijf een tekst van ongeveer 150 woorden over je favoriete zanger/artiest/band/dj/rapper. Je mag ook een ander idool kiezen.
1. Je gaat de tekst van een klasgenoot nakijken.
2. Kijk daarvoor kritisch naar alle zinnen en woorden, net zoals we net geoefend hebben.
3. Onderstreep foutjes, verbeter ze nog niet.
4. Geef daarna in het beoordelingsmodel aan hoe je klasgenoot het op alle punten heeft gedaan.
5. Geef een top en liefst ook een tip.
6. Heb je nog meer opmerkingen? Noteer ze!
7. Wissel jullie teksten en formulieren weer terug en lees je eigen feedback.
8. Verbeter je tekst op basis van de feedback die je hebt gekregen.



timer
15:00

Slide 19 - Tekstslide

Check - leerdoelen
1. Ik kan op de juiste manier verwijzen met zij/hen/hun.
2. Ik kan op de juiste manier verwijzen met dat/wat.
3. Ik kan op de juiste manier verwijzen met waarmee/met wie.

Slide 20 - Tekstslide

Vul in: De kat ..... ik verknocht ben.
A
aan wie
B
aan wat
C
waaraan

Slide 21 - Quizvraag

Kies het juiste voornaamwoord.

Hij zei iets ... ik niet begreep.
A
die
B
wie
C
dat
D
wat

Slide 22 - Quizvraag

Zij/hen/hun kiezen dat boek voor zij/hen/hun.
A
Zij/hun
B
Hun/ hun
C
Zij/hen
D
Hun/ hen

Slide 23 - Quizvraag

Hun/hen
Ik kreeg het boek van hun/hen
A
hun
B
hen

Slide 24 - Quizvraag

Samen zinnen verbeteren
Een zin:
- begint met een hoofdletter.
- eindigt met een punt.
- kan een persoonsvorm hebben --> enkelvoudige zin.
- kan twee persoonsvormen hebben --> samengestelde zin. 
- in samengestelde zinnen gebruiken we vaak voegwoorden --> omdat, maar, en, of, zodat, etc.
Die voegwoorden geven een verband aan tussen de zinnen.
"Ik vind deze film spannend, omdat er veel schrikmomenten inzitten."
"Het boek is goed geschreven, maar ik vond het erg langdradig."
"Mijn favoriete game is verslavend, daardoor wil ik het de hele tijd blijven spelen.

Slide 25 - Tekstslide

Aan de slag!
1. Lees het resterende stukje tekst.
2. Verbeter de tekst op zinsniveau (per zin), in tweetallen.
3. Lees eerst goed waar je op moet letten.

Je werkt in tweetallen.
Je werkt op fluistertoon.
Daarna bespreken we de opdracht.
timer
7:00

Slide 26 - Tekstslide

Volgende keer
Oefenopdracht zakelijke e-mail

Slide 27 - Tekstslide