V1A - Nederlands - formuleren, paragraaf 5

V1A - Nederlands - 11 maart
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1-3

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 70 min

Onderdelen in deze les

V1A - Nederlands - 11 maart

Slide 1 - Tekstslide

Programma
  • Lezen in je leesboek
  • Terugblik: leerdoelen vorige les
  • Leerdoelen
  • Lastige verwijswoorden - theorie
  • Lastige verwijswoorden - aan de slag
  • Leerdoelen check

Slide 2 - Tekstslide

Lezen in je leesboek
timer
15:00

Slide 3 - Tekstslide

Leerdoelen vorige les
1. Ik kan een persoonlijk voornaamwoord gebruiken om terug te verwijzen naar een zelfstandig naamwoord.
2. Ik kan een bezittelijk voornaamwoord gebruiken om terug te verwijzen naar een zelfstandig naamwoord.

Slide 4 - Tekstslide

Voorbeelden van persoonlijke voornaamwoorden zijn
A
Mijn, jullie, ons, jouw
B
Deze, die, dit, dat
C
Ik, jullie, wij, jou

Slide 5 - Quizvraag

Kies het juiste verwijswoord dat op de puntjes past:
Omdat Jada niet naar school wil, moet .... moeder de conciërge bellen.
A
zijn
B
hun
C
haar

Slide 6 - Quizvraag

Leerdoelen vandaag
  1. Ik kan op de juiste manier verwijzen met zij/hen/hun.
  2. Ik kan op de juiste manier verwijzen met dat/wat.
  3. Ik kan op de juiste manier verwijzen met waarmee/met wie.

Slide 7 - Tekstslide

Even terugblikken

Slide 8 - Tekstslide

Verwijswoorden - herhaling

Met verwijswoorden verwijs je terug naar personen of dingen die al eerder in de tekst genoemd zijn.
Hiermee voorkom je dat je continu dezelfde woorden herhaalt. Met verwijswoorden maak je een tekst leesbaarder. 
We hebben het gehad over:
- deze, die, dit, dat (betrekkelijke voornaamwoorden)
- persoonlijke voornaamwoorden als verwijswoorden: hij, hem, haar, etc.
- bezittelijke voornaamwoorden als verwijswoorden: mijn, uw, jouw, etc.

Slide 9 - Tekstslide

Lastige verwijswoorden

Er zijn een paar verwijswoorden waarmee veel fouten gemaakt worden. Herken je ze?

Slide 10 - Tekstslide

Zij, hun of hen? De docenten geven aan [zij]/[hun]/[hen] het diploma.
A
zij
B
hun
C
hen

Slide 11 - Quizvraag

Kies het juiste voornaamwoord.

Hij zei iets ... ik niet begreep.
A
die
B
wie
C
dat
D
wat

Slide 12 - Quizvraag

Vul in: Het meisje ...... ik verliefd ben
A
op wie
B
waarop

Slide 13 - Quizvraag

Lastige verwijswoorden

Hen of hun?
Je gebruikt het verwijswoord 'hen' als lijdend voorwerp (lv) en na een voorzetsel (vz). Het verwijswoord hun gebruik je als meewerkend voorwerp (mv) zonder voorzetsel.
– Sinds Samira’s buren geëmigreerd zijn, heeft ze hen (lv) niet meer gezien.
– Mijn vrienden snapten wiskunde niet, dus heb ik hun (mv) de sommen uitgelegd. Mijn aantekeningen heb ik ook aan (vz) hen gegeven.

Slide 14 - Tekstslide

Lastige verwijswoorden

Dat of wat?
Je gebruikt het verwijswoord wat om te verwijzen naar:
– de woorden dat en datgene: Dat wat je nu geleerd hebt, moet je goed onthouden.
– de woorden alles, iets, niets, het enige: Iets wat je niet begrijpt, kun je vragen in de les.
– een overtreffende trap met het, zonder zelfstandig naamwoord (het beste, het duurste enzovoort): Bungeejumpen is het engste wat Tamara ooit gedaan heeft.
– een hele zin: Maxime loopt elke dag hard, wat goed is voor zijn gezondheid.

Slide 15 - Tekstslide

Lastige verwijswoorden

Waar + voorzetsel of voorzetsel + wie?
Naar dieren en dingen verwijs je met waar+voorzetsel (waarmee, waarover enzovoort), naar mensen verwijs je met voorzetsel + wie (met wie, over wie enzovoort).
– Is het besluit waartegen we protesteerden, weer teruggedraaid?
– De jongen op wie Fabienne smoorverliefd is, heet Darius de Meder.

Het juiste voorzetsel leid je af uit de rest van de zin. Je schrijft waartegen, want het is ‘tegen iets protesteren’ en op wie, want het is ‘verliefd zijn op iemand’.

Slide 16 - Tekstslide

Aan de slag!
1. Ga weer naar blz. 238 in je boek.
2. Maak opdrachten 1 t/m 3.
3. Klaar? Opdracht 6.

Je werkt zelfstandig.
Je werkt op fluistertoon.
timer
15:00

Slide 17 - Tekstslide

Bespreken / nakijken
1. Ga weer naar blz. 238 in je boek.
2. Maak opdrachten 1 t/m 3.

Slide 18 - Tekstslide

Check - leerdoelen
1. Ik kan op de juiste manier verwijzen met zij/hen/hun.
2. Ik kan op de juiste manier verwijzen met dat/wat.
3. Ik kan op de juiste manier verwijzen met waarmee/met wie.

Slide 19 - Tekstslide

Vul in: De kat ..... ik verknocht ben.
A
aan wie
B
aan wat
C
waaraan

Slide 20 - Quizvraag

Kies het juiste voornaamwoord.

Hij zei iets ... ik niet begreep.
A
die
B
wie
C
dat
D
wat

Slide 21 - Quizvraag

Zij/hen/hun kiezen dat boek voor zij/hen/hun.
A
Zij/hun
B
Hun/ hun
C
Zij/hen
D
Hun/ hen

Slide 22 - Quizvraag

Hun/hen
Ik kreeg het boek van hun/hen
A
hun
B
hen

Slide 23 - Quizvraag

Volgende keer
Alle verwijswoorden door elkaar.

Slide 24 - Tekstslide

Juiste antwoord exit-ticket (volgende keer voor leerlingen)
Ajax heeft zich naar de achtste finales van de Europa League geknokt. Het ging niet vanzelf, maar de ploeg uit Amsterdam versloeg Union Sint-Gillis uit de Belgische hoofdstad Brussel over twee wedstrijden.


In de vorige wedstrijd was het 0-2 voor Ajax. Dus gisterenavond in de Arena in Amsterdam hoefde Ajax gisteren alleen maar te zorgen dat het niet ruim zou verliezen. Maar het liep niet zoals ze wilden: na een halfuur kwam de club uit Amsterdam met 0-2 achter te staan. En Klaassen kreeg een rode kaart.

Slide 25 - Tekstslide