In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 190 min
Onderdelen in deze les
Taalcompleet A2
Slide 1 - Tekstslide
Leesdoelen
Je kunt zelf zinnen maken.
Je kunt bijvoeglijke naamwoorden gebruiken, zoals "kleine", "grote" en "dunne"
Je kunt zelf zinnen maken met vergelijkingen, zoals "groter dan" en "kleiner dan".
Je kunt een korte advertentie schrijven.
Slide 2 - Tekstslide
Schema
Dictee 1.12/1.13
Zinnen maken + vragen maken
Vergelijkingen (klein, kleiner, kleinst)
Bijvoeglijke naamwoorden (leuke, mooie, grote)
Slide 3 - Tekstslide
Slide 4 - Tekstslide
Slide 5 - Tekstslide
Slide 6 - Tekstslide
Slide 7 - Tekstslide
Slide 8 - Tekstslide
Slide 9 - Tekstslide
Vragen stellen
Slide 10 - Tekstslide
Slide 11 - Tekstslide
Opdracht
Wat: zelf zinnen maken met de woorden op het blaadje
Hoe: alleen
Tijd: 25-30 min
Klaar?: Check in duo's
Resultaat: Na check in duo's, komt de docent langs om na te kijken.
Slide 12 - Tekstslide
Vergelijkingen (klein,kleiner, kleinst)
Groot
Oud
Jong
Dik
Dun
Snel
Stil
Slide 13 - Tekstslide
Let op!
Er zijn ook onregelmatige woorden:
graag - liever - liefst
goed - beter - best
veel - meer - meest
weinig - minder - minst
Deze woorden moet je dus uit je hoofd leren!
Slide 14 - Tekstslide
Welk woord is weg? De groene jurk is mooi, maar de zwarte jurk is ________.
Slide 15 - Open vraag
Welk woord is weg? De tafel is zwaar, maar de kast is ______.
Slide 16 - Open vraag
Welk woord is weg? James is ______ (groot) dan Blazej.
Slide 17 - Open vraag
Welk woord is weg? Taha praat graag, maar speelt _____ piano.
Slide 18 - Open vraag
Zelf zinnen maken
Gebruik een vergelijking en het woordje dan.
Bijvoorbeeld:
mijn fiets - jouw fiets
Mijn fiets is groter dan jouw fiets.
Slide 19 - Tekstslide
mijn land - jouw land
Slide 20 - Open vraag
koekjes - fruit
Slide 21 - Open vraag
rood - geel
Slide 22 - Open vraag
jonge mensen - oude mensen
Slide 23 - Open vraag
Opdracht
Wat: Maak alle opdrachten van bijvoeglijke naamwoorden
Hoe: alleen of in tweetallen
Tijd: 30-40 min
Klaar?: Check in duo's
Resultaat: Klassikaal nakijken
Slide 24 - Tekstslide
Schrijven: vergelijkingen
Je school in Nederland is anders dan in jouw geboorteland. Maak hieronder een vergelijking tussen je oude school en hoe het nu is in Nederland.
Schrijf daarna minimaal drie vergelijkingen op.
Bijvoorbeeld: Roc Mondriaan is kleiner dan mijn oude school. Mijn oude school was heel groot. Daar waren wel 15 klassen. Op deze school hebben we 13 klassen. De klassen op mijn vorige school waren groter dan de klassen op Roc Mondriaan. De leerlingen waren even oud als ik.
Let op! Denk aan hoe je de woorden schrijft, leestekens, hoofdletters : gebruik GEEN Google translate! Gebruik: de trappen van vergelijking.
Slide 25 - Tekstslide
(mooie, kleine, grote)
Slide 26 - Tekstslide
Wat is een bijvoeglijk naamwoord?
Een bijvoeglijk naamwoord geeft informatie over dingen, mensen of dieren (zelfstandige naamwoorden).
Bijvoorbeeld:
De rode jas. Rood zegt iets over de jas.
De grote auto. Groot zegt iets over de auto.
Het mooie huis. Mooi zegt iets over het huis.
Slide 27 - Tekstslide
Staat het woord aan het eind van een zin? Dan schrijf je de kortste vorm:
De stoel is wit.
De kast is groot.
Het meisje is lief.
Staat het voor een mens of ding? Dan krijgt het een -e:
De witte stoel.
De grote kast.
Het lieve meisje.
Slide 28 - Tekstslide
Let op!
Woorden met één klinker met daarna één medeklinker aan het einde:
wit - witte
dik - dikke
Woorden met twee dezelfde klinkers en één medeklinker aan het einde:
groot - grote
laag - lage
Slide 29 - Tekstslide
Let op!
Woorden met twee klinkers of een ij, met daarna een s of een f:
grijs - grijze
lief - lieve
Woorden voor materialen krijgen geen -e, maar -en:
hout -houten
wol - wollen
Slide 30 - Tekstslide
Let op!
Staat er 'een' voor het mens, ding of dier?
Dan krijgt het bijvoeglijke naamwoord alleen een -e bij een de-woord!
Een aardige jongen
(want het is de jongen).
Een blauwe auto
(want het is de auto).
Het bijvoeglijke naamwoord van een het-woord krijgt geen -e!
Een lief meisje (want het is het meisje)
Een groot huis (want het is het huis)
Slide 31 - Tekstslide
de-woorden
het-woorden
meervoud
met de of het
De mooie stad
De leuke kamer
Het kleine meisje
Het grote huis
De mooie steden
De leuke kamers
De kleine meisjes
De grote huizen
met 'een'
Een mooie stad
Een leuke kamer
Een klein meisje
Een groot huis
Mooie steden
Leuke kamers
Kleine meisjes
Grote huizen
Slide 32 - Tekstslide
Wat is geen bijvoeglijk naamwoord?
A
man
B
sterke
C
groot
D
aardig
Slide 33 - Quizvraag
Wat is geen bijvoeglijk naamwoord?
A
leuke
B
leuk
C
huis
D
dik
Slide 34 - Quizvraag
Welke bijvoeglijke naamwoorden zie je? De aardige mevrouw, heeft een bruin hondje met een leren halsband.