vwo 3 - stijlfiguren 2025

stijlfiguren
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

stijlfiguren

Slide 1 - Tekstslide

  • uitleg stijlfiguren 
  • begrip checken

Slide 2 - Tekstslide

Waarom stijlfiguren?

Stijlfiguren gebruik je om indruk te maken
op een luisteraar of lezer.

Het zijn middelen om dat wat je wilt zeggen,
treffender of sterker uit te drukken.

Slide 3 - Tekstslide

1. Eufemisme

Bij een eufemisme zeg je iets zo dat het minder erg of hard overkomt.
Dat doe je om een pijnlijke situatie te verzachten en om te voorkomen dat je iemand kwetst.


Voorbeeld:   Hij is helaas niet meer onder ons.

Je bedoelt:   Hij is overleden.

Slide 4 - Tekstslide

1. Eufemisme

poetsvrouw - werkster - schoonmaakster - huishoudelijke hulp – interieurverzorgster - interieurhygiëniste

Slide 5 - Tekstslide

2. Understatement (Litotes)

Als je iets afzwakt, gebruik je een understatement.
Je zegt dat iets minder mooi, groot of belangrijk is dan in werkelijkheid.


Voorbeeld:   Zij heeft wel een paar centen.

Je bedoelt:   Zij is rijk.

Slide 6 - Tekstslide

3. Hyperbool

Als je overdrijft, gebruik je een hyperbool.


Voorbeeld:   Hij barst van het geld.

Je bedoelt:   Hij is rijk.


Slide 7 - Tekstslide

4. Tegenstelling (Antithese)
Woorden of zinnen die een tegengestelde mededeling bevatten, staan bij elkaar.

Ik blijf je trouw in goede en slechte dagen, in armoede en rijkdom, in ziekte en gezondheid.


Slide 8 - Tekstslide

5. Schijnbare tegenstelling (Paradox)
'Schijnbare tegenstelling': tegengestelde begrippen worden toch aan elkaar verbonden. 

We moeten vechten voor de vrede.

Slide 9 - Tekstslide

Tegenstelling & Paradox
  • Een paradox is een schijnbare tegenstelling. Een paradox bestaat uit twee dingen die op het eerste gezicht niet kunnen, maar als je er dieper over nadenkt toch wel kunnen.

  • Bij een tegenstelling worden twee uitersten tegenover elkaar gezet.

Slide 10 - Tekstslide

6. Herhaling (Repetitio)
Een woord of woordgroep wordt (vrijwel) ongewijzigd herhaald.

Ik wilde
Ik wilde dat je voor me stond,
op een zondagochtend,
op een zondagochtend tussen negen en elf.
Karlijn Groet

Slide 11 - Tekstslide

7. Parallellisme
Een bepaalde zinsbouw komt steeds op dezelfde manier terug:

Als hij slaapt, laat ik hem slapen
als hij eet, laat ik hem eten
als hij leest, praat ik hem niet
de oren van het hoofd.
Sylvia Hubers

Slide 12 - Tekstslide

8. Opsomming (Enumeratio)
Een enumeratio (opsomming) is een stijlfiguur waarbij een opsomming wordt gebruikt om iets te benadrukken.

- Twee, zes, twintig, honderd mensen kwamen naar het feest toe.
- Zij was eerst Miss Bonaire, toen Miss Caribbean en uiteindelijk Miss World.


Slide 13 - Tekstslide

erop of eronder
haast u langzaam

vrijheid, gelijkheid en broederschap
groot geworden door klein te blijven
werk, werk, werk
antithese
paradox
opsomming
repetitio

Slide 14 - Sleepvraag

Welk stijlfiguur herken je?
Ik erger me dood aan hem.
A
overdrijving
B
herhaling
C
climax
D
paradox

Slide 15 - Quizvraag

Welk stijlfiguur herken je?
Ik had een twee voor mijn proefwerk, ik had dus wel wat foutjes gemaakt.
A
hyperbool
B
eufemisme
C
understatement
D
antithese

Slide 16 - Quizvraag

Welk stijlfiguur herken je?
Je wordt doodgegooid met informatie over de verkiezingen.
A
hyperbool
B
eufemisme
C
understatement
D
repetitio

Slide 17 - Quizvraag

Welk stijlfiguur herken je?
Ik sta al een eeuw op je te wachten.
A
eufemisme
B
hyperbool
C
understatement
D
paradox

Slide 18 - Quizvraag

Mijn tante heeft voor één ochtend in de week een interieurverzorgster.
A
eufemisme
B
understatement
C
antithese
D
hyperbool

Slide 19 - Quizvraag

'Best aardig gedaan', zei mevrouw Aouizerat over mijn 9,7 voor Frans.
A
eufemisme
B
understatement
C
paradox
D
hyperbool

Slide 20 - Quizvraag

Mijn opa is heengegaan.

Welke stijlfiguur?
A
Eufemisme
B
Antithese
C
Understatement
D
Paradox

Slide 21 - Quizvraag