verwijswoorden

verwijswoorden
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

verwijswoorden

Slide 1 - Tekstslide

Programma

  1. Voorkennis
  2. Uitleg verwijswoorden
  3. Aan de slag
  4. Bespreken gemaakte opdrachten


Slide 2 - Tekstslide

Startopdracht
wat zijn de signaalwoorden.

1.Laat dan het ei voorzichtig in de pan glijden.

2.Breek het ei eerst in een kom.
3.Laat ten slotte het ei uit de pan glijden.
4. Zet vervolgens een pan op het vuur met een beetje olie erin.
5. Zet het vuur daarna eventueel wat hoger.

Slide 3 - Tekstslide

Lesdoel
1.Je verwijst op de juiste manier. 

Slide 4 - Tekstslide

Verwijzen naar personen 
Man: Hij, hem, zijn
Dan man pakt zijn mobiel

Vrouw: zij, ze, haar
Zie je dat meisje daar? Zij is pas veertien

Slide 5 - Tekstslide

Het woord of meerdere personen

Het woord: 
Daar staat mijn huis. Het heeft een grote tuin

Meerdere personen: zij, ze, hun
De klas is pas om 4 uur vrij, hun zitten dus nog lang op school

Slide 6 - Tekstslide

De jongen is het huiswerk vergeten.
Hij is ........... huiswerk vergeten
A
het
B
hun
C
haar
D
zijn

Slide 7 - Quizvraag

De meisjes lopen op straat.
......... zijn op weg naar school.
A
Hun
B
Haar
C
Zij
D
Hen

Slide 8 - Quizvraag

De leerlingen pakken de boeken.
Zij pakken ........ boeken
A
hen
B
hun
C
zijn
D
de

Slide 9 - Quizvraag

Dit/dat of deze/die?

het-woorden: dit, dat
-dit etiket, dat etiket; het etiket dat bijna onleesbaar is

de-woorden en woorden in meervouw: deze, die
-deze boom, die boom; de boom die ziek is
-deze etiketten, die etiketten; de etiketten die bijna onleesbaar zijn


Slide 10 - Tekstslide

Bezit of niet?
Mijn jouw of uw- als het bezit erachter staat

Mijn moeder heeft roti gemaakt
Mag ik jouw pen lenen?

u kunt ... auto gratis parkeren

Slide 11 - Tekstslide

een w?

  • Ik heb  een e-mail gestuurd.
  • Ik heb jou een e-mail gestuurd.
  • Jessica heeft  toetsenbord even geleend.
  •  Jessica heeft jouw toetsenbord even geleend.



Slide 12 - Tekstslide

Me
Kun je ‘mij’ zeggen in plaats van ‘me’? Dan is ‘me’ ook goed.
Anders: mijn

Welke is goed?

Je kunt me de gegevens mailen
die fiets is van me
blijf van me haar af


Slide 13 - Tekstslide

jou of jou?

Ik geef een opdracht aan .....
A
jou
B
jouw

Slide 14 - Quizvraag

jou of jouw?
Het is ...... boek dat daar op tafel ligt.
A
jouw
B
jou

Slide 15 - Quizvraag

uw of u

Wij brengen de pakjes naar .......
A
u
B
uw

Slide 16 - Quizvraag

u of uw?
Op ... vragen kunnen we geen antwoord geven
A
u
B
uw

Slide 17 - Quizvraag

me of mijn

Ik ben .......... telefoon vergeten
A
me
B
mijn

Slide 18 - Quizvraag

mij of mijn
Geef dat grote cadeau maar aan ....
A
mij
B
mijn

Slide 19 - Quizvraag

Aan de slag
blz 322 t/m 327
Klaar? start met 3.4 fouten voorkomen

Slide 20 - Tekstslide