H2 Unité 5 - la négation - de ontkenning herhalen

Programme
  • Répétition: la négation (de ontkenning).                                                                      les verbes -partir en sortir (présent et P.C)
  • écrire 
  • Les exercices ex 25,t/m 28
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvmbo t, havoLeerjaar 1

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Programme
  • Répétition: la négation (de ontkenning).                                                                      les verbes -partir en sortir (présent et P.C)
  • écrire 
  • Les exercices ex 25,t/m 28

Slide 1 - Tekstslide

doel:
  • Je kunt  de ontkenning en  het werkwoord ''sortir, partir'' in een zin gaan gebruiken.
  • je kunt een eenvoudige revieuw schrijven waarin je iets beschrijft en je mening geeft.


Slide 2 - Tekstslide

NE PAS
Als je zegt dat iets 'niet' zo is, dan noem je dat een ontkenning
Als je een zin ontkennend wil maken, dan gebruik je 'NE ... PAS'.

Exemples:
- Je ne mange pas de banane.            Ik eet geen geen bananen
- Tu ne regardes pas la télé.                  Jij kijkt geen televisie
- Nous ne jouons pas au foot.              Wij voetballen niet

Slide 3 - Tekstslide

Plaats in de zin
Je ne mange pas de viande.
   >  NE  VOOR de persoonsvorm / PAS   meteen NA de persoonsvorm

! > Klinkerbotsing  / stomme 'h'    > NE verandert in N'
- On n'a pas de devoirs. = We hebben geen huiswerk.
- Elle n'habite pas à Paris. = Zij woont niet in Parijs.
- C'est facile. = Ce n'est pas facile.  = Het is niet makkelijk.
!! > Als er twee werkwoorden in de zin staan, zet je het nog steeds rondom de persoonsvorm :
- Je veux manger un hamburger. = Je ne veux pas manger de frites.

Slide 4 - Tekstslide

C'est tout? Non, ...

Il y a aussi:
- ne ... plus = niet meer / geen meer
     -> Il n'habite plus en France. = Hij woont niet meer in Frankrijk.
- ne...jamais = nooit
     -> Il ne fait jamais ses devoirs. = Hij maakt nooit zijn huiswerk.
- ne...rien = niets
     -> Elle ne sait rien. = Zij weet niets.

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Je mange des bananes.
A
Je mange ne pas de bananes.
B
Je ne mange pas de bananes.
C
Je mange de ne pas bananes.
D
Je ne mange de bananes pas.

Slide 7 - Quizvraag

Ils sont dans la classe.
A
Ils ne sont pas dans la classe.
B
Ils sont ne pas dans la classe.
C
Ils sont dans ne pas la classe.
D
Ne pas ils sont dans la classe.

Slide 8 - Quizvraag

J'ai une soeur.
A
J'ai ne pas de soeur.
B
Je ne ai pas de soeur.
C
J'ai ne pas de soeur.
D
Je n'ai pas de soeur.

Slide 9 - Quizvraag

Maak ontkennend met ne.... pas :
 Nous cherchons les cadeaux.  
ne
pas
cadeaux
nous
les
cherchons

Slide 10 - Sleepvraag

Maak ontkennend met ne ... pas >
elle mange le chocolat

Slide 11 - Open vraag


Maak de zin ontkennend:
charles a quatre frères

Slide 12 - Open vraag


Maak de zin ontkennend:
Elles ont 13 ans

Slide 13 - Open vraag


Maak ontkennend:
Il a déménagé
nog niet

Slide 14 - Open vraag

Zet de volgende zin in de ontkenning:

Alicia a d'argent + ne ... jamais

Slide 15 - Open vraag


Maak de zin ontkennend:
c'est possible

Slide 16 - Open vraag


Maak de zin ontkennend:
c'est ma famille

Slide 17 - Open vraag

Apprendre 3 | Partir & Sortir
Ik weet wat de werkwoorden partir & sortir betekenen én hoe ik ze moet vervoegen.

Slide 18 - Tekstslide

 verbuga (8 min)
Ga naar: www.verbuga.eu
Je oefent met de passé composé & de présent

Kies de volgende werkwoorden:
Partir, sortir,

Slide 19 - Tekstslide

nu maken:   U5 
Exercice 24, 25, 26, 28,29 en 30 page 71 t/m 74

Klaar : leren apprendre 1 en 2






timer
15:00

Slide 20 - Tekstslide