V1 Unité 4 - la négation - de ontkenning

Bonjour 10-03-25
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvmbo t, havoLeerjaar 1

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Bonjour 10-03-25

Slide 1 - Tekstslide

Unité  3
La négation
De ontkenning 

Slide 2 - Tekstslide

Programme
  • Focuslesen 5 min blz102
  • Les devoirs :blz 90 16c(a en b), 16d(aEN b). Havo( 16e)
  • De ontkenning in het Frans
  • Les exercices

Slide 3 - Tekstslide

doel:
Na deze les weet je wat de Fransen bedoelen als ze
'ne ... pas' zeggen in een zin, 
en kun je dat zelf ook in een zin gaan gebruiken


Slide 4 - Tekstslide

NE PAS
Als je zegt dat iets 'niet' zo is, dan noem je dat een ontkenning
Als je een zin ontkennend wil maken, dan gebruik je 'NE ... PAS'.

Exemples:
- Je ne mange pas de banane.            Ik eet geen  bananen
- Tu ne regardes pas la télé.                  Jij kijkt geen televisie
- Nous ne jouons pas au foot.              Wij voetballen niet

Slide 5 - Tekstslide

Plaats in de zin
Je ne mange pas de viande.
   >  NE  VOOR de persoonsvorm / PAS   meteen NA de persoonsvorm

! > Klinkerbotsing  / stomme 'h'    > NE verandert in N'
- On n'a pas de devoirs. = We hebben geen huiswerk.
- Elle n'habite pas à Paris. = Zij woont niet in Parijs.
- C'est facile. = Ce n'est pas facile.  = Het is niet makkelijk.
!! > Als er twee werkwoorden in de zin staan, zet je het nog steeds rondom de persoonsvorm :
- Je veux manger un hamburger. = Je ne veux pas manger de frites.

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

Focusleren
Unité 3
Apprendre 5 page 102


timer
5:00

Slide 8 - Tekstslide

Luisteropdracht

Slide 9 - Tekstslide

Wat betekent:
Il danse.
A
Hij danst.
B
Jij woont.
C
Ik dans.
D
Hij zingt.

Slide 10 - Quizvraag

Il ne danse pas.
A
Hij danst niet.
B
Jij danst niet.
C
Ik zing niet.
D
Zij danst niet.

Slide 11 - Quizvraag

J'habite dans un village.
A
Jij woont in een dorp.
B
Hij woont in een dorp.
C
Ik woon in een dorp.
D
Wij wonen in een dorp

Slide 12 - Quizvraag

Je n'habite pas dans un village.
A
Jij woont niet in een dorp.
B
Hij woont niet in een dorp.
C
Ik woon niet in een dorp.
D
Wij wonen niet in een dorp.

Slide 13 - Quizvraag

Hoe vertaal je het woordje
'niet'
in het Frans?

Slide 14 - Open vraag

Je mange des bananes.
A
Je mange ne pas de bananes.
B
Je ne mange pas de bananes.
C
Je mange de ne pas bananes.
D
Je ne mange de bananes pas.

Slide 15 - Quizvraag

Ils sont dans la classe.
A
Ils ne sont pas dans la classe.
B
Ils sont ne pas dans la classe.
C
Ils sont dans ne pas la classe.
D
Ne pas ils sont dans la classe.

Slide 16 - Quizvraag

J'ai une soeur.
A
J'ai ne pas de soeur.
B
Je ne ai pas de soeur.
C
J'ai ne pas de soeur.
D
Je n'ai pas de soeur.

Slide 17 - Quizvraag

Maak ontkennend met ne.... pas :
 Nous cherchons les cadeaux.  
ne
pas
cadeaux
nous
les
cherchons

Slide 18 - Sleepvraag

Maak ontkennend met ne ... pas >
elle mange le chocolat

Slide 19 - Open vraag

C'est tout? Non, ...

Il y a aussi:
- ne ... plus = niet meer / geen meer
     -> Il n'habite plus en France. = Hij woont niet meer in Frankrijk.
- ne...jamais = nooit
     -> Il ne fait jamais ses devoirs. = Hij maakt nooit zijn huiswerk.
- ne...rien = niets
     -> Elle ne sait rien. = Zij weet niets.

Slide 20 - Tekstslide

Wat smurft deze smurf?

Slide 21 - Tekstslide

nu maken:   U4 > taak 4.5
Exercice 16CDE page 130
Klaar maak exercice 17: page 134





Slide 22 - Tekstslide