Financieel beleid les 10 week 5

Hoofdstuk 4 Kengetallen
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
Financieel beleid deel BMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 4 Kengetallen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een kengetal of ratio is een verhoudingsgetal dat het verband tussen twee of meer grootheden aangeeft. 


Kengetallen van jou bedrijf kun je vergelijken met kengetallen van andere ondernemingen of het gemiddelde van de branche. 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Commerciële kengetallen

Geven inzicht in: 
  1. Marktaandeel
  2. Penetratiegraad
  3. Amount per transactie & items per transactie
  4. Conversieratio

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1. Marktaandeel 

         
Marktaandeel =                             eigen consumentenomzet                        x 100
                              totale consumptieve bestedingen verzorgingsgebied

De totale markt = 100% 
Om jou aandeel van de markt te bereken deel je jou eigen omzet door de totale omzet. 


                        

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1. Marktaandeel 

         
Voorbeeld:
In een verzorgingsgebied wonen 25.000 personen. Binnen dit verzorgingsgebied zijn diverse aanbieders van brood en banket. Esther heeft een bakkerij met een consumentenomzet van €213.500,-. 

Om haar marktaandeel te berekenen, moet ze de totale consumptieve bestedingen in het verzorgingsgebied weten. Hiervoor gebruikt Esther de bestedingscijfers van retailinsiders.nl. Daar ziet ze dat per hoofd van de bevolking € 140 aan brood wordt besteed.

De totale consumptieve bestedingen aan brood in het verzorgingsgebied zijn: 25.000 × € 140 = 
€ 3.500.000.

Bereken het marktaandeel voor Esther.


Slide 6 - Tekstslide

213.500/3.500.000 *100 = 6,1%
Bereken het marktaandeel voor Esther.
Eigen consumenten omzet = €213.500,-
De totale consumptieve bestedingen €3.500.000,-

Slide 7 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

De grootte van jou omzet hangt niet alleen af van je marktaandeel, maar ook van het bestedingspotentieel. Dit is het bedrag dat inwoners van jouw verzorgingsgebied uitgeven in jouw branche. 

Aantal inwoners verzorgingsgebied x bestedingen per hoofd
2. Bestedingspotentieel 

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Koopkrachtafvloeiing

Een deel van de mensen doen hun aankopen in een ander verzorgingsgebied. Bijv. dichter bij werk. 

Dan heb je te maken met koopkrachtafvloeiing (afvloeiingspercentage)

Andersom = koopkrachttoevloeiing 

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In een verzorgingsgebied wonen 8.000 inwoners. Het afvloeiingspercentage is 30%.
Gemiddelde besteding €55,- aan jou assortiment.
Bereken het totaalbedrag van de afvloeiing.

Slide 10 - Open vraag

Antwoord


8.000 x €55 = 440.000
440.000 / 100 x 30 = 132.000

3. Bindingspercentage 
De mate waarin de inwoners van een bepaald gebied hun bestedingen doen bij winkels in datzelfde gebied, noem je koopkrachtbinding. Dit duidt je aan met het bindingspercentage. 

Bindingspercentage = 100% - afvloeiingspercentage

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4. Koopkrachtaanwending
Niet achteraf marktaandeel weten maar juist vooraf? 

Maak een schatting met de koopkrachtaanwending: 
 Bestedingspotentieel - koopkrachtafvloeiing + toevloeiing

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

5. Potentiële consumentenomzet
Consumentenomzet die jij met jouw onderneming zou moeten kunnen behalen. 

Koopkrachtaanwending - concurrerende consumentenomzet

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

6. Geschat marktaandeel
Bijna zelfde formule als formule 1 (weet je al je omzet)

                          Potentiële consumentenomzet                      x 100
  Totale consumptieve bestedingen verzorgingsgebied 

Inschatting omzet!

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lola wil een damesmodezaak vestigen in een stad met 80.000 inwoners. De geschatte consumentenomzet van de concurrentie in deze stad is €42.815.000. De toevloeiing = €3.625.000. De afvloeiing = 5.825.000. Gemiddelde besteding p.p. €625,-
Bereken het bestedingspotentieel.

Slide 15 - Open vraag

Antwoord


80.000 x 625 = 50.000.000
Lola wil een damesmodezaak vestigen in een stad met 80.000 inwoners. De geschatte consumentenomzet van de concurrentie in deze stad is €42.815.000. De toevloeiing = €3.625.000. De afvloeiing = 5.825.000. Gemiddelde besteding p.p. €625,-
Bereken de potentiële consumentenomzet.

Slide 16 - Open vraag

Antwoord


 47.800.000 - 42.815.000
Lola wil een damesmodezaak vestigen in een stad met 80.000 inwoners. De geschatte consumentenomzet van de concurrentie in deze stad is €42.815.000. De toevloeiing = €3.625.000. De afvloeiing = 5.825.000. Gemiddelde besteding p.p. €625,-
Bereken het geschatte marktaandeel van Lola.

Slide 17 - Open vraag

Antwoord


4.985.000 / 47.800.000 X 100% = 10,4%
Lola wil een damesmodezaak vestigen in een stad met 80.000 inwoners. De geschatte consumentenomzet van de concurrentie in deze stad is €42.815.000. De toevloeiing = €3.625.000. De afvloeiing = 5.825.000. Gemiddelde besteding p.p. €625,-
Bereken de koopkrachtaanwending.

Slide 18 - Open vraag

Antwoord


50.000.000 - 5.825.000 + 3.625.000 = 47.800.000
7. Penetratiegraad
Het aandeel dat een winkel heeft in de totale potentiële klantenstroom. 

Hoge marktpenetratie
Klanten vasthouden

Lage marktpenetratie
Andere doelgroepen aanboren of klanten bij de concurrent zien weg te halen

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

7. Penetratiegraad



8. Penetratiegraad per artikel



Gemiddeld aantal klanten van een winkel per periode       x 100
Totaal aantal potentiële klanten verzorgingsgebied




Gemiddeld aantal klanten per artikel per periode                x 100
Totaal aantal potentiële klanten verzorgingsgebied

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

9. Amount per transactie (APT)

De gemiddelde uitgave in jou winkel per transactie incl. btw wordt aangeduid met het kengetal APT. 


APT =    Consumentenomzet    
             Aantal kassatransacties

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

10. Items per transactie (IPT)

Het gemiddelde aantal artikelen per transactie bereken je met: 


IPT =    aantal verkochte artikelen    
             aantal kassatransacties

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

11. Conversieratio
De hoeveelheid klanten die in jou winkel kopen en daadwerkelijk overgaan tot het doen van een aankoop meet je met de conversieratio. 

    Aantal betalende klanten         x 100 
Totaal aantal winkelbezoekers

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vragen maken
30 min - hoofdstuk 4

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Productiviteitskengetallen 
In je onderneming maak je gebruik van productiefactoren.
- investering in een winkel (productiefactor: kapitaal)
- personeel in dienst (productiefactor: arbeid)

Met productiviteitskengetallen kun je het resultaat meten dat je behaalt met de ingezette productiefactoren. Dit bekijk je in verhouding tot het aantal vierkante meters winkelvloeroppervlak. 

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

12 & 13. Omzet per m² bvo / wvo

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

12 & 13. Omzet per m² bvo / wvo
Omzet per m² bvo =          omzet        
                                        aantal m² bvo

Omzet per m² wvo =          omzet        
                                        aantal m² wvo

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

14. Goederenintensiteit
De relatie tussen de waarde van je voorraad en de verkoopruimte stel je vast met het kengetal goederenintensiteit. De gemiddelde voorraadwaarde t.o.v. je winkelvloeroppervlakte (wvo).

Formule:     Gemiddelde voorraad in euro's 
                                      aantal m² wvo

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

15. Omzetsnelheid & 16. Omzetduur
Om te bepalen hoeveel ruimte je nodig hebt in het magazijn en winkel voor je voorraad is het van belang dat je inzicht hebt in de begrippen omzetsnelheid en omzetduur. 

Omzetsnelheid: 

Omzetduur: 

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

15. Omzetsnelheid & 16. Omzetduur
Om te bepalen hoeveel ruimte je nodig hebt in het magazijn en winkel voor je voorraad is het van belang dat je inzicht hebt in de begrippen omzetsnelheid en omzetduur. 

Omzetsnelheid: Aantal keren dat de gemiddelde voorraad in een bepaalde periode wordt verkocht.

Omzetduur: de tijd die nodig is om de gemiddelde voorraad één keer om te zetten in geld. 

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

15. Omzetsnelheid & 16. Omzetduur
Formules: 

Omzetsnelheid =    afzet, omzet of IWO 
                                   gemiddelde voorraad

Omzetduur in dagen =   gemiddelde voorraad x 360 
                                              inkoopwaarde van de omzet

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

17. Selfservice ratio
Voor het helpen van klanten is personeel nodig. Grotere winkel = meer personeel. Maar het maakt ook uit hoe arbeidsintensief de verkoop is. 

Voor de verkoop van specialistische producten heb je meer personeel nodig. Hoe arbeidsintensief de verkoop is, kun je zien aan het kengetal van de selfservice ratio. 

Het aantal vierkante meter wvo dat door 1 fte wordt bijgehouden. 

Formule:    aantal m² wvo     
                         aantal fte   

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

18. Aantal FTE
Het is lastig te rekenen met medewerkers die niet allemaal evenveel uren maken. Daarom druk je het aantal medewerkers uit in FTE. 

Aantal FTE =                 aantal betaalde uren                         
                         aantal uren van een volledige werkweek

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

19. Omzet per fte
Hoe de inzet van personeel bijdraagt aan je omzet kun je zien aan de arbeidsproductiviteit. Dit druk je uit in de omzet per fte.

Omzet per fte = jaaromzet
                               aantal fte

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Klaar!

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Feedback voor de les van dinsdag

Slide 37 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies