Engels Vervolg A1, thema 5, H1 woorden en uitdrukkingen (deel 1)

Thema 5
Communicatie

Hoofdstuk 1
kijken en luisteren

Doel van de les
Je leert woorden en zinnen om op verschillende manieren te communiceren.
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 4

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Thema 5
Communicatie

Hoofdstuk 1
kijken en luisteren

Doel van de les
Je leert woorden en zinnen om op verschillende manieren te communiceren.

Slide 1 - Tekstslide

Welke middelen gebruik jij om te communiceren?

Slide 2 - Woordweb

Woordblok 1A
stole - heeft gestolen
wallet - portemonnee
lost - verloren
money - debit card
first - eerst
question - hetzelfde
on holiday - op vakantie
firstly - ten eerste
should - moet
as soon as possible - zo snel mogelijk

no one - niemand
the rest of your time - de rest van je tijd
secondly - ten tweede
personal details - persoonlijke gegevens


Slide 3 - Tekstslide

Welk woord past bij dit plaatje?
A
debit card
B
money
C
wallet
D
stole

Slide 4 - Quizvraag

Vertaal het woord 'secondly'
A
ten eerste
B
ten tweede

Slide 5 - Quizvraag

Welk woord past bij dit plaatje?
A
question
B
answer

Slide 6 - Quizvraag

Uitdrukkingenblok 1

Lucy speaking.
How may I help you?
This is Roy.
I don't know what to do!
Could you help me, please?
I'm sorry to hear that.
I am going to help you.
This is what you should do.
Firstly, you should....
Tell them that...
They can also help you to get money.
Secondly, you should...

Lost or stolen.
Thank you for your help. 




Wat zou hier gebeurt kunnen zijn?

Welke woorden kunnen er passen op de puntjes?







Slide 7 - Tekstslide

Schrijf een zin.
Gebruik het woord 'question' in de zin.

Slide 8 - Open vraag

Schrijf een zin.
Gebruik het woord 'holiday' in de zin.

Slide 9 - Open vraag

Woordblok 2A

attention - aandacht
arrives - komt aan
repeat - herhaal
answer - beantwoorden
right now - nu, op dit moment
call back - bel terug 
message - bericht
after - na
office - kantoor




almost - bijna
sent - hebben gestuurd
text message - sms
it says - er staat
right - gelijk
wrong - verkeerd
she's not in - ze is er niet
ask - vragen
phone number - telefoon nummer


Slide 10 - Tekstslide

They can also....
A
help you to get money
B
to hear that
C
what to do
D
you should do

Slide 11 - Quizvraag

This is what...
A
help you to get money
B
to hear that
C
what to do
D
you should do

Slide 12 - Quizvraag

Wat betekent het woord 'arrives'?

Slide 13 - Open vraag

Wat betekent het woord 'office'?

Slide 14 - Open vraag

Je vraagt hoe je iemand kunt helpen.
How....

Slide 15 - Open vraag

Je zegt dat iemand eerst de politie moet bellen.
Firstly...

Slide 16 - Open vraag

Aan de slag!
Zelfstandig maken: opdracht 1 tot en met 13.
Start op bladzijde 209

Slide 17 - Tekstslide