Spelling thema 6, week 2 t of d

t of d?
Stap 1: woord langer maken
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsBasisschoolGroep 5

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

t of d?
Stap 1: woord langer maken

Slide 1 - Tekstslide

Hoe schrijf je dit woord?
A
schitterend
B
schitterent

Slide 2 - Quizvraag

Hoe schrijf je dit woord?
A
spannend
B
spannent

Slide 3 - Quizvraag

Hoe schrijf je dit woord?
A
voorbeelt
B
voorbeeld

Slide 4 - Quizvraag

Hoe schrijf je dit woord?
A
taart
B
taard

Slide 5 - Quizvraag

Hoe schrijf je dit woord?
A
levend
B
levent

Slide 6 - Quizvraag

t of d?
Stap 2: van welk woord komt het?

Slide 7 - Tekstslide

hoe schrijf je dit woord?
A
goetkoop
B
goedkoop

Slide 8 - Quizvraag

Hoe schrijf je dit woord?
A
bootschap
B
boodschap

Slide 9 - Quizvraag

Hoe schrijf je dit woord?
A
uidgang
B
uitgang

Slide 10 - Quizvraag

Hoe schrijf je dit woord?
A
beeltscherm
B
beeldscherm

Slide 11 - Quizvraag

t of d?
Stap 3: sommige woorden kun je moeilijk langer maken. Die moet je uit je hoofd leren.

Slide 12 - Tekstslide

Hoe schrijf je dit woord?
A
gits
B
gids

Slide 13 - Quizvraag

Hoe schrijf je dit woord?
A
iemand
B
iemant

Slide 14 - Quizvraag

t of d?
Nog even oefenen!

Slide 15 - Tekstslide

woord met de D
woord met de T
stemban.
vliegvel.
zach.
teks.
sta.huis
onkrui.
har.loper
vluch.

Slide 16 - Sleepvraag

Hoe schrijf je dit woord?
A
tandards
B
tantards
C
tandarts
D
tantarts

Slide 17 - Quizvraag

Hoe schrijf je dit woord?
A
woetend
B
woedent
C
woetent
D
woedend

Slide 18 - Quizvraag