Onderzoek doen

hv 2 
practicum doen
Goedendag, fijn dat jullie er zijn
  • Telefoon in de telefoontas
  • Boek, schrift, pen, rekenmachine, geodriehoek op tafel
  • Zitten volgens de opstelling
  1. boek
  2. schrift
  3. pen en potlood
  4. rekenmachine
  5. geodriehoek of liniaal
  6. -
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
naskMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 2-4

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

hv 2 
practicum doen
Goedendag, fijn dat jullie er zijn
  • Telefoon in de telefoontas
  • Boek, schrift, pen, rekenmachine, geodriehoek op tafel
  • Zitten volgens de opstelling
  1. boek
  2. schrift
  3. pen en potlood
  4. rekenmachine
  5. geodriehoek of liniaal
  6. -

Slide 1 - Tekstslide

Starter for ten, maak de vraag in je schrift.
(Herhaling)
Bij biologie heb je al onderzoekjes moeten doen.
  1. Hoe heet het apparaat dat je gebruikt bij biologie om dingen beter te kunnen zien?
  2. Wat zijn waarnemingen?
  1. microscoop
  2. dingen die je bij een onderzoek ziet, ruikt, proeft, hoort, voelt of meet.
timer
0:45
denken
Werk stil en beantwoord de vragen alleen.
Schrijf de vraag over in je schrift, noteer daarna het antwoord er achter.
delen
Vergelijk je antwoord met je buurpersoon.
Als je verschillende antwoorden hebt overleg dan wie het goede antwoord heeft.
uitwisselen
Bekijk de goede antwoorden die klassikaal worden besproken.

Slide 2 - Tekstslide

Doelen, wat gaan we doen.
  • Hoe doe je een onderzoek?
  • Wat is de onderzoeksvraag?
  • Wat zijn de meetresultaten en waarnemingen?
  • Wat is de verwerking van de meetresultaten?
  • Wat is de conclusie?
  • Hoe lever je het onderzoek in?

Slide 3 - Tekstslide

Werkwijze.
  • Je zit in een groepje
  • Iedereen heeft een laptop
  • De laptop wordt aangemeld op lesson-up
  • Gebruik de app om tussendoor te antwoorden 

Slide 4 - Tekstslide

Hoe doe je een onderzoek
Een onderzoek is dat je door middel van theorie uitpluizen (boeken lezen of internet afzoeken) of door middel van een practicum te doen.
Wij kiezen meestal voor de tweede manier, het doen van een practicum (proefje).

Voorbeeld:
We gaan bepalen hoe groot de snelheid is van een leerling die op de trap omhoog loopt.
Hiervoor loten we eerst een leerling uit die de trap gaat beklimmen.

De snelheid wordt bepaald in aantal meter per seconde. (hoeveel meter doe je gemiddeld in één seconde)

Slide 5 - Tekstslide

Wat is een onderzoeksvraag?
Aan het begin van het onderzoek gaan we proberen om het onderzoek door middel van een vraag een richting op te leiden.

Belangrijk zijn de vraagwoorden die we kunnen gebruiken.
Wat? -> Je krijgt een uitleg als antwoord.
Welke? -> Je gaat dingen met elkaar vergelijken en krijgt dan een antwoord.
Wie? -> Je krijgt een persoon als antwoord.
Hoeveel of hoe groot? -> Je krijgt een getal als antwoord.

Slide 6 - Tekstslide

Bedenk een goede onderzoeksvraag bij het voorbeeld.

Slide 7 - Open vraag

Wat zijn de meetresultaten (waarnemingen)
Bij dit onderzoek moeten we een aantal dingen gaan meten.
De snelheid was in de eenheid meter per seconde.
Dus we gaan meten hoeveel meter er wordt afgelegd, en we gaan meten hoeveel seconden er nodig zijn om die afstand af te leggen.

Om te meten gebruiken we meetapparatuur.

Slide 8 - Tekstslide

Welk meetapparatuur gebruik je om de afgelegde weg op te meten?

Slide 9 - Open vraag

Welk meetapparatuur gebruik je om de tijd mee op te meten?

Slide 10 - Open vraag

Wat zijn de meetresultaten (waarnemingen)
Noteer nu de meetresultaten:

De afstand is ...... m
De tijd is ...... s

Slide 11 - Tekstslide

Verwerking van de meetresultaten
Met de meetresultaten ga je kijken of je een antwoord kan geven op de onderzoeksvraag.
In dit geval is dat een berekening.

Soms moet je juist een grafiek maken (assenstelsel) om verbanden aan te tonen.

Slide 12 - Tekstslide

Berekening
Bij Natuurkunde begint iedere berekening met een formule, meestal krijg je die wel gegeven van de docent.
Daarna noteer je de vraag en de gegevens. De gegevens zijn de meetresultaten die je gemeten hebt.

De meetresultaten (gegevens) ga je invullen in de formule en zo heb je een sommetje gemaakt. Dit sommetje reken je uit (met je rekenmachine)

Als laatste noteer je een natuurkundige antwoordzin, die bestaat uit drie onderdelen: De vraag; De uitkomst uit de som; De eenheid.

Slide 13 - Tekstslide

Berekening
Om de berekening een beetje te structureren (zodat je niets kunt vergeten) gaan we de berekening in een tabelletje uitvoeren.

Formule

(snelheid = afstand : tijd) 
gegevens:
De afstand is ...... meter
De tijd is ...... seconde
sommetje
snelheid = ...... : ......
natuurkundige antwoordzin:
vraag: Hoe groot is de snelheid?
snelheid = ...... meter per seconde

Slide 14 - Tekstslide

conclusie
De conclusie is het antwoord op de hoofdvraag.
In dit geval is dat hetzelfde als de natuurkundige antwoordzin uit je berekening.

Slide 15 - Tekstslide

Wat is de conclusie (reken het zelf uit).
Noteer wel een volledige antwoordzin (en niet alleen een getal)

Slide 16 - Open vraag

Hoe lever je het onderzoek in.
  • De volgende les maken we het verslag en maken we afspraken hoe het ingeleverd gaat worden.

Slide 17 - Tekstslide