PTO2 bespreken

Communiceren doe je samen 2
Welkom vwo 4D

Op tafel:
pen

  • Jas uit en over je stoel.
  • Telefoon in je tas.
  • Tas op de grond.
1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 42 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 1 min

Onderdelen in deze les

Communiceren doe je samen 2
Welkom vwo 4D

Op tafel:
pen

  • Jas uit en over je stoel.
  • Telefoon in je tas.
  • Tas op de grond.

Slide 1 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
  • Eerst 2 vragen nog een keer maken
  • PTO inzien 
  • PTO bespreken
  • Individuele vragen 
  • Eind: troublespeechcijfers
Vandaag woensdag 2 april:

Slide 2 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Lees tekst 1
Vraag 1. 
In de bovenstaande tekst is er sprake van een  argumentatiestructuur met nevenschikkende én onderschikkende argumentatie.
a Welke twee vormen van nevenschikkende argumentatie zijn er? (2 p) R
>> Het is een R-vraag, dus? 
  • Het antwoord vind je niet in de tekst, maar je moet dit leren!
  • Schrijf het antwoord op. 
  •  afhankelijk (1 p) en onafhankelijk (1 p)

Slide 3 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Lees tekst 1
Vraag 1. 
b Leg uit wat het verschil is tussen deze twee vormen van nevenschikkende argumentatie. (2 p) R
>> Weer een R-vraag. Weer een leervraag. 
  • Schrijf het antwoord op. 
  •  Bij afhankelijke argumentatie gebruik je argumenten die je niet los van elkaar kunt zien. (1 p) 
  • Bij onafhankelijke argumentatie kunnen de argumenten wel los gebruikt worden. (1 p)

Slide 4 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 2 (5p) (later 1c)
Werk de argumentatiestructuur van de bovenstaande tekst uit in een schema. Gebruik pijlen om de onderlinge samenhang aan te geven tussen standpunt, argumenten en subargumenten.
  • Lees de tekst
  • Standpunt = Gezonde voeding is amper een thema in de verkiezingen. 
  • Wat betekent 'amper'? 
  • amper = bijna niet
  • >> zoek dus argumenten waarom 'gezonde voeding' geen thema is in de verkiezingen.  

Slide 5 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 2 (5p)
Werk de argumentatiestructuur van de bovenstaande tekst uit in een schema. Gebruik pijlen om de onderlinge samenhang aan te geven tussen standpunt, argumenten en subargumenten.
Veelgemaakte fout: 
  • Argument 1: Nederland zou koploper moeten zijn op het gebied van gezonde en duurzame voeding >> maar:
  • Dit is het omgekeerde:
  • Nederland zou koploper moeten zijn op het gebied van gezonde en duurzame voeding >> Nederland zou juist 'gezonde voeding' heel veel in de verkiezingen moeten benoemen. 
  • Vul de argumentatiestructuur in.

Slide 6 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 2 (5p)
Bespreken:
Stap 1: Lees de tekst/alinea's die relevant zijn. 

Slide 7 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 2 (5p)
Bespreken:
Stap 2: Zoek de informatie die je gegeven is: Standpunt. 

Slide 8 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 2 (5p) 
Stap 3: Werk vanuit het standpunt naar beneden, dan vind je de argumenten. Scheid de argumenten van de onzin. 
Alinea 1 geeft naast het standpunt alleen verdere uitleg, geen argumenten. 

Slide 9 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 2 (5p) 
Stap 4: Vanaf alinea 2 vind je de argumenten. 
Tip: Kun je er zelf opsommende signaalwoorden aan toevoegen?

Slide 10 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2

Slide 11 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Lees tekst 1
Vraag 1. 

c Van welke vorm van nevenschikkende argumentatie is er sprake in de bovenstaande tekst? (1 p) T1
>> Nu is de tekst wel nodig. 
  •  onafhankelijk, want de argumenten zijn allemaal los van elkaar. 

Slide 12 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
  • Eerst 2 vragen nog een keer maken
  • PTO inzien 
  • PTO bespreken
  • Individuele vragen 
  • Eind: troublespeechcijfers
Vandaag woensdag 2 april:

Slide 13 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Zelfstandig inzien van PTO

21 punten = 5,5
42 punten = 10

Straks overige vragen klassikaal bespreken
Daarna individuele vragen
timer
4:00

Slide 14 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 3
Stelling: ‘Schooluniformen moeten worden verplicht.’
Bedenk een onderschikkende argumentatie waarmee je bovenstaande stelling kunt
onderbouwen. (2 p) I



>> Bedenk dit zelf, maar met bovenstaande stelling.
>> En met een onderschikkende structuur. 

Slide 15 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 4
a Bedenk een drogreden waarmee je op de stelling uit vraag 3 zou kunnen reageren. (1p) I
 b Benoem welke drogreden je hebt gebruikt. (1p)

>> Je kunt antwoord b. alleen goed hebben als die past bij a. 

Slide 16 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 5
a Wat is het standpunt van minister-president Rutte? (1 p) T1
>> lees tekst 2
>> standpunt = mening 
>> zoeken naar mening van Rutte
  • excuses zijn niet nodig >> niet voldoende genoeg
  • dat excuses voor het slavernijverleden niet nodig zijn



Slide 17 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 5
b Van welk soort argumentatieschema maakt Rutte gebruik in zijn redenering? (1 p) T1
>> argumentatieschema
>> er zijn 3 soorten schema's:
  • kenmerken, vergelijking en causaliteit.  
  • argumentatie op basis van causaliteit / oorzaak en gevolg



Slide 18 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 6a
Gert-Jan Segers verdedigt Ruttes standpunt dat excuses over het slavernijverleden niet nodig zijn.
a Welk argument geeft Segers hiervoor? (1 p) T1
>> Ga op zoek naar waar in de tekst 'Segers' staat. 
  • Wij vragen de Spanjaarden ook geen excuses >> niet genoeg
  • Wij vragen de Spanjaarden ook geen excuses voor de Tachtigjarige oorlog.

Slide 19 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 6b
Van welk soort drogreden maakt Segers in alinea 4 gebruik? Kies uit: autoriteitsargument, vals dilemma, overhaaste generalisatie, verkeerde vergelijking, ontduiken van de bewijslast, bespelen van het publiek. (1 p) T1
>> Lees je antwoord bij 6a, kies dan de drogreden die erbij past. 
  •  verkeerde vergelijking

Slide 20 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 7
In tekst 2 reageert de auteur op de redeneringen van zowel Rutte als Segers. Reageert hij met tegenargumenten of met weerleggingen? Leg je antwoord uit. (2 p) T2
>> Je moet het verschil kennen tussen een tegenargument en een weerlegging. 
>> Leg eerst uit wat een tegenargument is. 
  • Tegenargument: Een argument tegen het standpunt in. 
>> Leg dan uit wat een weerlegging is. 
  • Weerlegging: Een uitleg waarmee je het eerder gebruikte argument ontkracht / afzwakt. 


Slide 21 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 7
In tekst 2 reageert de auteur op de redeneringen van zowel Rutte als Segers. Reageert hij met tegenargumenten of met weerleggingen? Leg je antwoord uit. (2 p) T2

>> Let op: de vraag is 2 punten waard én je moet je antwoord uitleggen.  
>> minstens 1 punt voor de uitleg. 
  •  De auteur reageert met weerleggingen (1 p), want de auteur reageert beide keren op de gebruikte argumenten. (1 p)

Slide 22 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 8
Lees tekst 3
Wat is het onderwerp van tekst 3? (1 p) T2
>> Welke delen van een tekst moet je lezen om deze vraag te beantwoorden? 
  • Titel, inleiding, slot
  • Salaris(verhoging) van de koning

Slide 23 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 9a
a Noem twee verschillende signaalwoorden uit alinea 4. (1 p) T1
>> Zoek naar signaalwoorden in alinea 4.
>> Let op: 1p voor 2 juiste signaalwoorden! 
  • Als/ ook / desondanks

Slide 24 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 9b
b Welke twee tekstverbanden horen er bij deze signaalwoorden? (2 p) T1
>> let op: verbind de signaalwoorden aan de tekstverbanden of schrijf de tekstverbanden in dezelfde volgorde als de signaalwoorden.
  • voorwaarde / opsomming / tegenstelling


Slide 25 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 10a
In alinea 2 reageert Geert Wilders op de salarisverhoging van de koning.
a Wat is zijn standpunt? (1 p) T1
  • De koning moet de verhoging teruggeven. (Of: De verhoging van het inkomen van de koning is niet terecht.


Slide 26 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 10b
Wat is zijn belangrijkste argument bij dit standpunt? (1 p) T1
  • Veel mensen gaan erop achteruit / niet vooruit, maar de koning wel.


Slide 27 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 10c
Van welk argumentatieschema maakt Geert Wilders hierbij gebruik? (1 p) T1
>> Let op: argumentatieschema, dus kijk bij vraag 5b: 
>> er zijn 3 soorten schema's: kenmerken, vergelijking en causaliteit.  
  • argumentatie op basis van vergelijking

Slide 28 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 11a
a Wat is een verzwegen argument? (1 p) R
>> R-vraag, dus dit is een leervraag en heb je geen tekst bij nodig. 
  • Een argument dat in een argumentatie niet letterlijk genoemd wordt, maar wel een rol speelt.

Slide 29 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 11b
Wat is het verzwegen argument in de redenering van Geert Wilders in alinea 2? (1 p) T2
  • Wat voor ‘gewone’ mensen geldt, moet ook voor de koning gelden (en dat is niet eerlijk). 

Slide 30 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 12a
Wat is het verschil tussen een feitelijke en een waarderende uitspraak? (1 p) R
>> R-vraag, dus dit is een leervraag en heb je geen tekst bij nodig. 
  • Van een feitelijke uitspraak is (objectief) vast te stellen of hij waar is. Een waarderende uitspraak bevat een mening/waardering, en is dus subjectief.

Slide 31 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 12b
Noteer een waarderende uitspraak uit alinea 6. (1 p) T1
>> uit alinea 6 
  • ‘Volgens veel politici mag dit wel een tandje minder.’


Slide 32 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 13a
13 Benoem de stijlfiguren in de volgende zinnen. Kies uit: anafoor, climax, anticlimax, hyperbool, antithese, litotes, retorische vraag, chiasme, eufemisme en understatement. (3 p) T1
a Ik heb je al duizend keer gevraagd om je kamer op te ruimen!
  • hyperbool >> Sterke overdrijving: duizend keer

Slide 33 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 13b

In een tegengestelde volgorde plaatsen van overeenkomstige elementen
Bv. Dames en heren, jongens en meisjes
b. Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood
  • chiasme

Slide 34 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 13

herhaling van hetzelfde woord of dezelfde woordgroep aan het begin van zinsdelen:
Bv. Alles om hem heen leek te veranderen. Alles leek beter te worden.
c. Nooit zullen wij opgeven,
Nooit zullen wij overgeven
  • anafoor

Slide 35 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 14a
a Welk stijlfiguur herken je in de eerste strofe van het gedicht ‘Puberteit’? (1 p) T1

Het kind in mij is stil gestorven
verwaarloosd, blind en onbedorven

  • tricolon; verwaarloosd, blind en onbedorven



Slide 36 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 14b
b Welke vorm van beeldspraak herken je in de derde strofe? (1 p) T1

toen jij onwetend als een beest

  • vergelijking met verbindingswoord


Slide 37 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 14c
c In de eerst en de laatste regel van het gedicht wordt een kind genoemd. Dit is een metafoor. Wie of wat zou er bedoeld worden met dit kind? Leg je antwoord uit. (2 p) I
  • Twee punten voor een interpretatie die goed is uitgelegd, bijvoorbeeld: 
  • Met het kind verwijst de schrijver naar haar eigen leven toen zij nog een kind was. Ze is niet echt gestorven, maar ze bedoelt dat haar kindertijd voorbij is. Na de puberteit begint het echte volwassenen leven. 


Slide 38 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 15a
 In het gedicht ‘Ik is een vlag’ vergelijkt het lyrisch ik zichzelf met de vlag die Amerikaanse astronauten in 1969 als eerste mensen op de maan hebben achtergelaten.
a Wat is de antithese in het beeld van de vlag in strofe twee? Citeer de woorden of woordgroepen die tegenover elkaar staan. (T1 - 1p)

Ik is een vlag op een maanlandschap waar iemand
metaalgaren in stak om het oneindige wapperen
te bereiken dat in windstilte iets monumentaals wil
betekenen. Maar vlaggen zijn weerloos en mijn lichaam

  • (oneindig) wapperen en windstilte


Slide 39 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 15b
In de derde en vierde regel staat een vergelijking. Wat wordt in deze regels met elkaar vergeleken? (1 p) T2

De stad vernauwt zijn straten kromt de bruggen
als tenen in mijn schoenen. Mijn tenen? Mijn schoenen?

  • Tenen en bruggen en/of schoenen en straten


Slide 40 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Vraag 15c
Wat is het verschil tussen de maan (met de vlag) en de aarde in dit gedicht? Leg je antwoord uit. (2 p)

  • Twee punten voor een interpretatie die goed is uitgelegd, bijvoorbeeld:
  • De maan met de vlag staat voor hoe we ons willen laten zien aan anderen, namelijk vol zelfvertrouwen, en de aarde, met haar ‘geel kermende bermen’, ‘voorbeeldige wrakken’, ‘afkoelende rivieren’ en ‘verlaten huizen’ staat voor de imperfectie en voor hoe we echt zijn.


Slide 41 - Tekstslide

Communiceren doe je samen 2
Wil je de toets herkansen? Kijk dan nogmaals naar de vragen die je niet goed had. Bedenk hoe je die een volgende keer wel goed kunt maken. 
 
21 punten = 5,5
42 punten = 10

  • Individuele vragen behandelen
  • Troublespeechcijfers

Slide 42 - Tekstslide