Grammatica woordsoorten les 4: persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord

Grammatica woordsoorten les 4: persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord
Welkom klas 1hf
Volg het stappenplan, dan maken we er een goede les van.
Stap 1: Doe de telefoon in de telefoontas.
Stap 2: Pak je boek (B), schrift, laptop en leesboek
Stap 3: Log in bij LessonUp met je eigen naam. De code staat op het whiteboard
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Grammatica woordsoorten les 4: persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord
Welkom klas 1hf
Volg het stappenplan, dan maken we er een goede les van.
Stap 1: Doe de telefoon in de telefoontas.
Stap 2: Pak je boek (B), schrift, laptop en leesboek
Stap 3: Log in bij LessonUp met je eigen naam. De code staat op het whiteboard

Slide 1 - Tekstslide

Is de volgende zin goed of fout: 'Ik koop een cadeautje voor me moeder.'
A
goed
B
fout

Slide 2 - Quizvraag

Leerdoelen
Aan het einde van de les kun je:
* Persoonlijk voornaamwoord en bezittelijk voornaamwoord herkennen en benoemen in een zin.
* Kun je een zin taalkundig benoemen met de volgende onderdelen: blw, olw, zn, bn, vz, zww, hww, psv en bzv

Slide 3 - Tekstslide

Wat ga je doen?
  • Lezen (10 minuten)
  • Nakijken werkblad zww en hww
  • Herhalingszin met alle woordsoorten tot nu toe.
  •  Uitleg persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord
  • Oefenen
  • Huiswerk: werkblad persoonlijk voornaamwoord en bezittelijk voornaamwoord

Slide 4 - Tekstslide

Lezen
timer
10:00

Slide 5 - Tekstslide

Antwoorden oefening zww en hww
opdr. 1
1. Werd, gesloopt
2. kunnen
3. maakte
4. Staat
Opdracht 2: 
1. Bungeejumpen    6. Doen
2. vriezen
3. bewaren
4. zorgen
5. gegeten
6. Doen.


Slide 6 - Tekstslide

opdr. 3
1. Zww= putten
Hww= kunnen
2. Zww = verstoren
Hww= dreigt
3. Zww = afgeven
Hww= moet
4. Zww = geloven
Hww= kunnen
5. Zww= afzetten
Hww= moet

Slide 7 - Tekstslide

opdr. 4
1. Zat = zww, een = olw, onleesbaar= bn, instructieboekje = zn
2. Rekenmachine = zn, kunnen = hww, jongeren = zn
3. Een= olw, had= hww, slechtgemaakte= bn
4. Showroom= zn, de= blw, staan= zww, bijzondere = bn
5. Leerlingen = zn, mobiele = bn, telefoon = zn

Slide 8 - Tekstslide

Herhaling
Noteer van de onderstaande zin de volgende woordsoorten: blw, olw, zn, bn, vz, zww & hww

Wij willen graag uit een enorm groot cadeau springen.

Slide 9 - Tekstslide

Uitleg: persoonlijk voornaamwoord (psv)
Persoonlijk voornaamwoord: Geeft een persoon, dier of ding aan, vooral personen.
Een persoonlijk voornaamwoord heeft twee vormen: onderwerpsvorm en voorwerpsvorm.
Onderwerpsvorm: Gebruik je als onderwerp van de zin
Voorwerpsvorm: Gebruik je als lijdend voorwerp of meewerkend voorwerp van de zin
Persoonlijke voornaamwoorden onderwerpsvorm:
Ik, jij, je, u, hij, zij (ev+mv), ze,  het, wij, we, jullie
Persoonlijke voornaamwoorden voorwerpsvorm:
mij, me, jou, je, u, hem, haar, het, ons, jullie, hun, hen


Slide 10 - Tekstslide

Bezittelijk voornaamwoord = bzv
Bezittelijk voornaamwoord: Geeft een bezit aan. Let op: dit is zonder een voorzetsel.
Een bezit met een voorzetsel is een persoonlijk voornaamwoord
Voorbeeld: Dit is jouw auto. Jouw = bezittelijk voornaamwoord
De auto is van jou. Jou = persoonlijk voornaamwoord
Bezittelijke voornaamwoorden: mijn, jouw, je ,uw, haar, zijn, ons/onze, jullie, hun.

Slide 11 - Tekstslide

Hun of hen
Hun:
- Als bezittelijk voornaamwoord: Dat is hun huis.
- Als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel: Ik geef hun een cadeau.
- Hun gebruik je niet als onderwerp!
Hen:
- Als lijdend voorwerp: Hij ontslaat hen na dit incident.
- Na een voorzetsel: dankzij hen gaat het een stuk beter. De auto is aan hen gegeven.

Slide 12 - Tekstslide

Benoem alle persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden in de zin: Hij heeft zijn boeken al ingeleverd.

Slide 13 - Open vraag

Benoem alle persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden in de zin: Ik heb u uw potlood toch al teruggegeven?

Slide 14 - Open vraag

Vul het juiste voornaamwoord in: Hij schonk .... een kopje koffie in.
A
hun
B
hen
C
zij

Slide 15 - Quizvraag

Huiswerk
Leren: Alle aantekeningen LessonUp (Zie Teams)
Maken: Werkblad persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord

Slide 16 - Tekstslide