NN7 - Spelling §3 - Leenwoorden - 2V

Leenwoorden
NN7 - Spelling §3 - 2V
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 25 min

Onderdelen in deze les

Leenwoorden
NN7 - Spelling §3 - 2V

Slide 1 - Tekstslide

Wat je gaat leren

  • Je leert leenwoorden op de juiste manier spellen.

Slide 2 - Tekstslide

humeur                    chauffeur                  ambulance

                 keeper                playbacken

          thriller                                                 schwalbe

                        bonbon                 
                                                     computer

Slide 3 - Tekstslide

In Nederland gebruiken we heel wat woorden uit andere talen. 


Slide 4 - Tekstslide

Woorden die uit andere talen in het Nederlands zijn terechtgekomen, heten leenwoorden. Je hebt ze op allerlei gebieden, zoals sport (goal), eten (café), kleding (burka), uiterlijk (schmink), verkeer (airbag) en computers (printen).

Slide 5 - Tekstslide

Woorden die uit andere talen in het Nederlands zijn terechtgekomen, heten leenwoorden. Je hebt ze op allerlei gebieden, zoals sport (goal), eten (café), kleding (burka), uiterlijk (schmink), verkeer (airbag) en computers (printen).

De meeste woorden die we overnemen uit andere talen, worden in de loop van de tijd aangepast aan het Nederlandse spellingsysteem.

Slide 6 - Tekstslide

Zo spel je Engelse leenwoorden

  • Een samenstelling van Engelse woorden schrijf je in het Nederlands als één woord: eyecatcher, multiplechoicevraag.

  • Als het rechter deel van de samenstelling een Engels voorzetsel is, plaats je een koppelteken: back-up, stand-by.

  • Sommige combinaties worden gezien als een woordgroep. Dan schrijf je de delen los: compact disc, first lady.

Slide 7 - Tekstslide

Zo spel je Franse leenwoorden

  • Veel Franse woorden schrijf je in het Nederlands zonder accenttekens: compote, hotel, ragout.
  • De accenten op de e blijven behouden als dat nodig is om de uitspraak aan te geven:
  • Soms schrijf je een accent aigu, zoals bij paté.
  • Soms schrijf je een accent grave, zoals bij crème.
  • Soms schrijf je accent circonflexe, zoals bij enquête.

Slide 8 - Tekstslide

Gebruik voor de spelling van leenwoorden zo nodig een Nederlands woordenboek.

Slide 9 - Tekstslide

  • In een woord dat als echt Frans wordt aangevoeld, blijven alle accenttekens staan. Dat geldt vooral voor woordgroepen (déjà vu).

Slide 10 - Tekstslide

Kijk om je heen en noteer vijf leenwoorden
die personen of voorwerpen aanduiden.

Slide 11 - Woordweb

Klik het correct gespelde woord aan.
A
airbag
B
air-bag

Slide 12 - Quizvraag

Klik het correct gespelde woord aan.
A
intensivecare
B
intensive care

Slide 13 - Quizvraag

Klik het correct gespelde woord aan.
A
babysitter
B
baby-sitter

Slide 14 - Quizvraag

Klik het correct gespelde woord aan.
A
layout
B
lay-out

Slide 15 - Quizvraag

Klik het correct gespelde woord aan.
A
carriere
B
carrière

Slide 16 - Quizvraag

Klik het correct gespelde woord aan.
A
make up
B
make-up

Slide 17 - Quizvraag

Klik het correct gespelde woord aan.
A
dinee
B
diner

Slide 18 - Quizvraag

Klik het correct gespelde woord aan.
A
premiere
B
première

Slide 19 - Quizvraag

Klik het correct gespelde woord aan.
A
elektricien
B
elektriciën

Slide 20 - Quizvraag

Klik het correct gespelde woord aan.
A
shootout
B
shoot-out

Slide 21 - Quizvraag

Klik het correct gespelde woord aan.
A
enquete
B
enquête

Slide 22 - Quizvraag

Klik het correct gespelde woord aan.
A
testcase
B
test case

Slide 23 - Quizvraag

Ga nu naar de digitale methode en maak de opdrachten die ik klaar heb gezet in de planning.

Slide 24 - Tekstslide