Mondeling 4

1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Begrip: fictie/non-fictie
  • Het eerste begrip waarmee je aan de slag gaat, is fictie/non-fictie.

  • Op de volgende slide volgt eerst de uitleg over dit begrip. Daarna volgt een voorbeeld bij Wonder.

Slide 2 - Tekstslide

Fictie en non-fictie
  • Fictie 
  • Verzonnen verhalen over gebeurtenissen en mensen, die bedacht zijn door de schrijver (leesboek, stripverhaal, film, gedicht).

  • Non-fictie
  • Verhalen over de werkelijkheid, met feiten over (echte) mensen en (echte) gebeurtenissen. De schrijver heeft het niet bedacht/verzonnen. Het is echt gebeurd (krantenbericht, journaal) of geeft informatie (schoolboek).

Slide 3 - Tekstslide

Nu jij!

Op de volgende slide volgt een vraag over fictie/non-fictie in jouw boek.

Slide 4 - Tekstslide

Is jouw boek fictie of non-fictie?
Leg ook uit waarom het zo is. Doe dit in minimaal 40 en maximaal 80 woorden.

Slide 5 - Open vraag

Begrip: realistisch/niet-realistisch
  • Het volgende begrip waarmee je aan de slag gaat, is realisme.

  • Op de volgende slide volgt eerst de uitleg over dit begrip. Daarna volgt een voorbeeld bij Wonder.

Slide 6 - Tekstslide

Realistisch en niet-realistisch
  • Realistisch
  • Een schrijver verzint mensen en gebeurtenissen die erg lijken op de werkelijkheid, die echt zouden kunnen gebeuren

  • Niet-realistisch
  • Een schrijver verzint een verhaal met mensen en gebeurtenissen, die in werkelijkheid niet kunnen gebeuren. 

Slide 7 - Tekstslide

Nu jij!

Op de volgende slide volgt een vraag over het realisme in jouw boek.

Slide 8 - Tekstslide

Is jouw boek realistisch of niet-realistisch?
Leg ook uit waarom het zo is. Doe dit in minimaal 40 en maximaal 80 woorden.

Slide 9 - Open vraag

Begrip: beoordelingswoorden en argumenten
  • De volgende begrippen zijn: beoordelingswoorden en argumenten.

  • Op de volgende slides volgt eerst de uitleg over dit begrip. Daarna volgt een voorbeeld bij Wonder.

Slide 10 - Tekstslide

Beoordelingswoorden
  • Beoordelingswoorden zijn woorden waarmee je een beoordeling geeft over bijvoorbeeld een boek, film of iets anders. Je moet ook altijd uitleggen waarom je dat vindt.
  • Voorbeelden van beoordelingswoorden:
  • Spannend
  • Prachtig
  • Ontroerend
  • Grappig
  • Langdradig

Slide 11 - Tekstslide

Argumenten
  • Beoordelingswoorden onderbouw je met een argument. Je legt dus uit waarom je het boek prachtig, spannend, grappig, verdrietig of iets anders vindt.

  • Je kunt hierbij ook nog een voorbeeld van een gebeurtenis uit het boek noemen. Zo maak je jouw beoordelingswoord en argument extra duidelijk. 




Slide 12 - Tekstslide

Nu jij!

Op de volgende slides volgen vragen over jouw mening over het boek.


Slide 13 - Tekstslide

Beoordelingswoord en argument 1
Welk beoordelingswoord past bij jouw boek? Onderbouw dit beoordelingswoord.

Slide 14 - Open vraag

Beoordelingswoord en argument 2
Welk beoordelingswoord past bij jouw boek? Onderbouw dit beoordelingswoord.

Slide 15 - Open vraag

Beoordelingswoord en argument 3
Welk beoordelingswoord past bij jouw boek? Onderbouw dit beoordelingswoord.

Slide 16 - Open vraag

Begrip: titelverklaring

  • Het eerste begrip waarmee je aan de slag gaat, is de titelverklaring.

  • Op de volgende slide volgt eerst de uitleg over dit begrip. Daarna volgt een voorbeeld bij Wonder.

Slide 17 - Tekstslide

Titelverklaring 

  • De titel verklaren Uitleggen hoe de titel bij het boek past.

  • Letterlijk/figuurlijk Een titel kun je letterlijke en/of figuurlijk uitleggen. 

  • Thema, persoon, plaats, gebeurtenis De titel heeft vaak iets met het thema (onderwerp van het boek) te maken. De titel kan ook naar een persoon, plaats of gebeurtenis uit het boek wijzen.

Slide 18 - Tekstslide

De inleiding

  • Je inleiding bestaat uit 2 delen: 

  • Een pakkende introductie 
  • Een hele, korte samenvatting van het boek.

Slide 19 - Tekstslide

De inleiding
  • Een pakkende introductie
  • Begin bijvoorbeeld met een spannend fragment uit het boek, een vraag aan de kijker, een grapje. Wees creatief! Probeer meteen de aandacht van de kijker te trekken op een originele manier.

  • Een hele korte samenvatting
  • In de inleiding vertel je ook heel kort waar het boek over gaat. Noem alleen de hoofdzaken, geen bijzaken. Dus: geen details! Denk aan: wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe.

Slide 20 - Tekstslide

Het slot

  • Het slot bestaat uit 2 delen:

  • Een leesadvies 
  • en een laatste, krachtige zin.

Slide 21 - Tekstslide

Het slot
  • Het leesadvies:
  • In het slot geef je een leesadvies mee. 
  • Geef nog één keer heel duidelijk aan waarom de kijker het boek wel of juist niet moet gaan lezen. Probeer de kijker te overtuigen van jouw mening.

  • Een laatste krachtige zin
  • Met je laatste zin probeer je ervoor te zorgen dat je luisteraar je pitch niet snel zal vergeten.

Slide 22 - Tekstslide

Begrip: personages

  • Het volgende begrip is: personages.
  • Hoofd- en bijfiguren, personages beschrijven en relaties.
  • Eerst volgt weer de uitleg, dan een voorbeeld bij Wonder en daarna de opdrachten.

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Nu jij!

Op de volgende slide volgt een aantal vragen over de personages in jouw boek.

Slide 27 - Tekstslide

Wie is de hoofdpersoon in jouw boek?

Slide 28 - Open vraag

Wie zijn de bijfiguren in jouw boek?

Slide 29 - Open vraag

Beschrijf hun relatie.

Slide 30 - Open vraag

Begrip: thema

  • Het volgende begrip is: thema
  • Eerst volgt weer de uitleg, dan een voorbeeld bij Wonder en daarna de opdrachten.

Slide 31 - Tekstslide

Thema

  • Verhalen gaan ergens over, hebben een onderwerp. Dat noem je een thema

  • In één verhaal kunnen meerdere thema's voorkomen.



Slide 32 - Tekstslide

Nu jij!

Op de volgende slide volgt een vraag over het thema van jouw boek.

Slide 33 - Tekstslide

Over welk thema/welke thema's gaat jouw boek?

Slide 34 - Open vraag

Einde van de les!
Lees nu verder in je boek.

Slide 35 - Tekstslide