In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 30 min
Onderdelen in deze les
Slide 1 - Tekstslide
Begrip: fictie/non-fictie
Het eerste begrip waarmee je aan de slag gaat, is fictie/non-fictie.
Op de volgende slide volgt eerst de uitleg over dit begrip. Daarna volgt een voorbeeld bij Wonder.
Slide 2 - Tekstslide
Fictie en non-fictie
Fictie
Verzonnen verhalen over gebeurtenissen en mensen, die bedacht zijn door de schrijver (leesboek, stripverhaal, film, gedicht).
Non-fictie
Verhalen over de werkelijkheid, met feiten over (echte) mensen en (echte) gebeurtenissen. De schrijver heeft het niet bedacht/verzonnen. Het is echt gebeurd (krantenbericht, journaal) of geeft informatie (schoolboek).
Slide 3 - Tekstslide
Nu jij!
Op de volgende slide volgt een vraag over fictie/non-fictie in jouw boek.
Slide 4 - Tekstslide
Is jouw boek fictie of non-fictie? Leg ook uit waarom het zo is. Doe dit in minimaal 40 en maximaal 80 woorden.
Slide 5 - Open vraag
Begrip: realistisch/niet-realistisch
Het volgende begrip waarmee je aan de slag gaat, is realisme.
Op de volgende slide volgt eerst de uitleg over dit begrip. Daarna volgt een voorbeeld bij Wonder.
Slide 6 - Tekstslide
Realistisch en niet-realistisch
Realistisch
Een schrijver verzint mensen en gebeurtenissen die erg lijken op de werkelijkheid, die echt zouden kunnen gebeuren
Niet-realistisch
Een schrijver verzint een verhaal met mensen en gebeurtenissen, die in werkelijkheid niet kunnen gebeuren.
Slide 7 - Tekstslide
Nu jij!
Op de volgende slide volgt een vraag over het realisme in jouw boek.
Slide 8 - Tekstslide
Is jouw boek realistisch of niet-realistisch? Leg ook uit waarom het zo is. Doe dit in minimaal 40 en maximaal 80 woorden.
Slide 9 - Open vraag
Begrip: beoordelingswoorden en argumenten
De volgende begrippen zijn: beoordelingswoorden en argumenten.
Op de volgende slides volgt eerst de uitleg over dit begrip. Daarna volgt een voorbeeld bij Wonder.
Slide 10 - Tekstslide
Beoordelingswoorden
Beoordelingswoorden zijn woorden waarmee je een beoordeling geeft over bijvoorbeeld een boek, film of iets anders. Je moet ook altijd uitleggen waarom je dat vindt.
Voorbeelden van beoordelingswoorden:
Spannend
Prachtig
Ontroerend
Grappig
Langdradig
Slide 11 - Tekstslide
Argumenten
Beoordelingswoorden onderbouw je met een argument. Je legt dus uit waarom je het boek prachtig, spannend, grappig, verdrietig of iets anders vindt.
Je kunt hierbij ook nog een voorbeeld van een gebeurtenis uit het boek noemen. Zo maak je jouw beoordelingswoord en argument extra duidelijk.
Slide 12 - Tekstslide
Nu jij!
Op de volgende slides volgen vragen over jouw mening over het boek.
Slide 13 - Tekstslide
Beoordelingswoord en argument 1 Welk beoordelingswoord past bij jouw boek? Onderbouw dit beoordelingswoord.
Slide 14 - Open vraag
Beoordelingswoord en argument 2 Welk beoordelingswoord past bij jouw boek? Onderbouw dit beoordelingswoord.
Slide 15 - Open vraag
Beoordelingswoord en argument 3 Welk beoordelingswoord past bij jouw boek? Onderbouw dit beoordelingswoord.
Slide 16 - Open vraag
Begrip: titelverklaring
Het eerste begrip waarmee je aan de slag gaat, is detitelverklaring.
Op de volgende slide volgt eerst de uitleg over dit begrip. Daarna volgt een voorbeeld bij Wonder.
Slide 17 - Tekstslide
Titelverklaring
De titel verklarenUitleggen hoe de titel bij het boek past.
Letterlijk/figuurlijkEen titel kun je letterlijke en/of figuurlijk uitleggen.
Thema, persoon, plaats, gebeurtenisDe titel heeft vaak iets met het thema (onderwerp van het boek) te maken. De titel kan ook naar een persoon, plaats of gebeurtenis uit het boek wijzen.
Slide 18 - Tekstslide
De inleiding
Je inleiding bestaat uit 2 delen:
Een pakkende introductie
Een hele, korte samenvatting van het boek.
Slide 19 - Tekstslide
De inleiding
Een pakkende introductie
Begin bijvoorbeeld met een spannend fragment uit het boek, een vraag aan de kijker, een grapje. Wees creatief! Probeer meteen de aandacht van de kijker te trekken op een originele manier.
Een hele korte samenvatting
In de inleiding vertel je ook heel kort waar het boek over gaat. Noem alleen de hoofdzaken, geen bijzaken. Dus: geen details! Denk aan: wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe.
Slide 20 - Tekstslide
Het slot
Het slot bestaat uit 2 delen:
Een leesadvies
en een laatste, krachtige zin.
Slide 21 - Tekstslide
Het slot
Het leesadvies:
In het slot geef je een leesadvies mee.
Geef nog één keer heel duidelijk aan waarom de kijker het boek wel of juist niet moet gaan lezen. Probeer de kijker te overtuigen van jouw mening.
Een laatste krachtige zin
Met je laatste zin probeer je ervoor te zorgen dat je luisteraar je pitch niet snel zal vergeten.
Slide 22 - Tekstslide
Begrip: personages
Het volgende begrip is: personages.
Hoofd- en bijfiguren, personages beschrijven en relaties.
Eerst volgt weer de uitleg, dan een voorbeeld bij Wonder en daarna de opdrachten.
Slide 23 - Tekstslide
Slide 24 - Tekstslide
Slide 25 - Tekstslide
Slide 26 - Tekstslide
Nu jij!
Op de volgende slide volgt een aantal vragen over de personages in jouw boek.
Slide 27 - Tekstslide
Wie is de hoofdpersoon in jouw boek?
Slide 28 - Open vraag
Wie zijn de bijfiguren in jouw boek?
Slide 29 - Open vraag
Beschrijf hun relatie.
Slide 30 - Open vraag
Begrip: thema
Het volgende begrip is: thema
Eerst volgt weer de uitleg, dan een voorbeeld bij Wonder en daarna de opdrachten.
Slide 31 - Tekstslide
Thema
Verhalen gaan ergens over, hebben een onderwerp. Dat noem je een thema.
In één verhaal kunnen meerdere thema'svoorkomen.
Slide 32 - Tekstslide
Nu jij!
Op de volgende slide volgt een vraag over het thema van jouw boek.