4B gaswisseling

Oefentoets Thema 12  Gaswisseling en uitscheiding  4Basis editie 8 
1 / 50
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 4

In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Onderdelen in deze les

Oefentoets Thema 12  Gaswisseling en uitscheiding  4Basis editie 8 

Slide 1 - Tekstslide

Ademen door de neus is beter dan ademen door de mond waarom?
A
de lucht wordt vochtig en warm gemaakt
B
de lucht wordt gezuiverd van stof en ziekteverwekkers
C
de lucht wordt gekeurd
D
alle antwoorden zijn goed

Slide 2 - Quizvraag

Hoe haalt een hond adem?
A
Longen
B
Huid
C
Kieuwen
D
Tracheeën

Slide 3 - Quizvraag

welke groep haalt adem met kieuwen op jonge leeftijd en op volwassen leeftijd met huid en longen?
A
kikker
B
walvissen
C
amfibieën
D
reptielen

Slide 4 - Quizvraag

Een wesp haalt adem met de
A
huid
B
kieuwen
C
longen
D
tracheeën

Slide 5 - Quizvraag

Vissen ademen met
A
Kieuwen
B
Longen

Slide 6 - Quizvraag

Welke stoffen zijn nodig voor verbranding?
A
Glucose
B
Zuurstof
C
Glucose en zuurstof
D
Water en koolstofdioxide

Slide 7 - Quizvraag

Welk gas ontstaat bij de verbranding?
A
Koolstofdioxide
B
Zuurstof
C
Glucose
D
Water

Slide 8 - Quizvraag

slijmvlies dat de binnenkant van de neusholte bedekt
verversen van lucht in longen en tracheeën
organen waarmee zoogdieren, vogels en reptielen ademhalen
opnemen van zuurstof en afgeven van koolstofdioxide
haren op het neusslijmvlies; door bewegingen hiervan gaat het slijm naar de keelholte
haren voor in de neusholte die grote stofdeeltjes tegenhouden
neusslijmvlies
ademhaling
longen
gaswisseling
trilharen
neusharen

Slide 9 - Sleepvraag

Vogels hebben gaswisseling via:
A
longen
B
huid
C
tracheeën
D
kieuwen

Slide 10 - Quizvraag

Hoe komen wij aan energie? Door verbranding!
Glucose +
Zuurstof =
Energie +
Koolstofdioxide +

Water

Slide 11 - Sleepvraag

Nodig voor verbranding
Over na verbranding
Zuurstof
Koolstofdioxide
Water
(Energie)
Glucose

Slide 12 - Sleepvraag

In welke richting bewegen de ribben en het borstbeen bij een normale inademing?
A
Ribben en borstbeen omhoog en naar voren. Middenrif omhoog.
B
Ribben en borstbeen omhoog en naar voren. Middenrif omlaag.
C
Ribben en borstbeen omlaag en terug. Middenrif omhoog.
D
Ribben en borstbeen omlaag en terug. Middenrif omlaag.

Slide 13 - Quizvraag

Waarom is verbranding belangrijk voor mensen?
A
Daar krijgen ze energie van
B
Daardoor gaan ze zweten
C
Bij verbranding maken ze voedingsstoffen die nodig zijn om te groeien
D
Verbranding is niet belangrijk voor mensen

Slide 14 - Quizvraag

In welke richting beweegt het middenrif bij het inademen?
A
Het middenrif gaat omhoog
B
Het middenrif blijft gelijk
C
Het middenrif gaat omlaag.

Slide 15 - Quizvraag

Sleep de namen naar het juiste onderdeel van het ademhalingsstelsel
Luchtpijp
Bronchiën
Luchtpijptakjes
Longblaasje

Slide 16 - Sleepvraag

opening waardoor lucht in een trachee komt
ademhalingsorgaan waarmee dieren boven water ademhalen
luchtbuis in het lichaam van een insect
ademhalingsorgaan waarmee dieren onder water ademhalen
stigma
long
kieuw
trachee

Slide 17 - Sleepvraag

Neusholte
Mondholte
Luchtpijp
Keelholte
Luchtpijptakje
Luchtpijptak
Longblaasje
Middenrif

Slide 18 - Sleepvraag

Bronchiën
Luchtpijp
Vertakkingen
bronchiën
Longblaasjes

Slide 19 - Sleepvraag

Welke stof in tabaksrook zorgt ervoor dat de gaswisseling afneemt?
A
Teer
B
Nicotine
C
Koolmonoxide
D
Alle stoffen zorgen hiervoor

Slide 20 - Quizvraag

Kan de schade aan longblaasjes bij longemfyseem worden hersteld?
A
ja
B
nee

Slide 21 - Quizvraag

Wat wordt er uitgewisseld in de longblaasjes
A
Zuurstof in, Koolstofdioxide uit
B
Koolstofdioxide in, Zuurstof uit
C
Stikstof in, Koolstofdioxide uit
D
Zuurstof in , Stikstof uit

Slide 22 - Quizvraag

Langs welke route bereikt zuurstof de longblaasjes?
A
neusholte - keelholte - luchtpijp - strottenhoofd - luchtpijptakje - bronchiën - longblaasjes
B
neusholte-keelholte-strottenhoofd - luchtpijp - luchtpijptakje - bronchiën - longblaasjes
C
neusholte - keelholte - strottenhoofd - luchtpijptakje - luchtpijp- bronchiën - longblaasjes
D
neusholte-keelholte-strottenhoofd - luchtpijp - bronchiën - luchtpijptakje - longblaasjes

Slide 23 - Quizvraag

Hiernaast is een deel van de
longen weergegeven.
Welke letter is een longblaasje?
A
P
B
Q
C
R
D
Geen van deze letters

Slide 24 - Quizvraag

Neusademhaling is beter dan mondademhaling omdat de lucht verwarmd wordt.
Wat is nog een reden dat het gezonder is?
A
De lucht wordt gekeurd
B
De lucht wordt vochtig gemaakt
C
De lucht wordt gezuiverd
D
Alle antwoorden zijn goed

Slide 25 - Quizvraag

Het slijmvlies wat de stofdeeltjes en ziekteverwekkers vangt zitten in de volgende organen.
A
neus, luchtpijp en bronchie
B
neus, mond, luchtpijp en bronchie
C
neus, bronchie en longblaasje
D
mond, luchtpijp, bronchie en longblaasje

Slide 26 - Quizvraag

Wat is de functie van de trilharen van het slijmvlies in de luchtwegen?
A
Het opvangen van stofdeeltjes.
B
Het staat mooier bij je uiterlijk.
C
Het vervoeren van slijm naar de keelholte.
D
Het verwarmen van de binnenstromende lucht.

Slide 27 - Quizvraag

Welke onderdelen van je ademhalingsstelsel bevatten slijmvlies?
A
Nummer 1 en 5
B
Nummer 1, 5 en 7
C
Nummer 1, 3 en 5
D
Nummer 1, 5, 7 en 8

Slide 28 - Quizvraag

Welk type cel in je slijmvlies verplaatst het slijm naar de keelholte?
A
Slijm-producerende cel
B
Trilhaarcel

Slide 29 - Quizvraag

Bronchitis is 'n ziekte v/h slijmvlies dat de binnenkant van de luchtwegen bedekt. Er wordt dan veel slijm gemaakt. Iemand met bronchitis raakt dit slijm moeilijk kwijt. Welk gevolg voor de opname van zuurstof heeft te veel slijm in de luchtwegen?
A
Iemand kan dan beter zuurstof opnemen.
B
Iemand kan dan slechter zuurstof opnemen.
C
Dit heeft geen invloed op de zuurstofopname.
D
Dit heeft alleen invloed op de CO2 opname.

Slide 30 - Quizvraag


Wat gebeurt er bij hoesten?
A
Buikspier trekt samen Middenrif omlaag
B
Buikspier trekt samen Middenrif omhoog
C
Buikspier ontspant Middenrif omlaag
D
Buikspier ontspant Middenrif omhoog

Slide 31 - Quizvraag

Wat is de functie van de slijmlaag in de neusholte, luchtpijp en bronchiën?
A
Het slijm verzacht de keel
B
Het slijm vangt stofdeeltjes en bacteriën op
C
Het slijm maakt het hoesten makkelijker

Slide 32 - Quizvraag

Astma
COPD
Long-emfyseem
Chronische bronchitis
Gezonde luchtwegen
Gezonde longblaasjes
Gezonde luchtwegen

Slide 33 - Sleepvraag

De bronchiën worden smaller; plotselinge benauwdheid bij prikkeling van de luchtwegen
blijvende ontsteking van de bronchiën waardoor ademhalen moeilijker gaat
beschadiging van de longblaasjes waardoor minder zuurstof wordt opgenomen in het bloed
allergie voor stuifmeel (pollen)
chronische bronchitis en longemfyseem
astma
chronische bronchitis
longemfyseem
hooikoorts
COPD

Slide 34 - Sleepvraag

Wat gebeurt er als iemand een astma-aanval krijgt?
A
de spiertjes van de luchtwegen trekken samen
B
de spiertjes van de luchtwegen ontspannen
C
de luchtpijp raakt verstopt
D
De longblaasjes raken verstopt

Slide 35 - Quizvraag

Wordt door roken astma veroorzaakt?
En COPD?
A
Alleen Astma
B
Alleen COPD
C
Beide
D
Geen van Beide

Slide 36 - Quizvraag

Twee ziekten van het ademhalingsstelsel zijn astma en COPD.
Bij welke van deze ziekten heeft een patiënt vaak last van benauwdheid?
A
alleen bij astma
B
alleen bij COPD
C
bij astma en bij COPD
D
bij geen van beiden ziekten

Slide 37 - Quizvraag

Welke stof in tabaksrook zorgt de zogenaamde rokershoest?
A
Teer
B
Nicotine
C
Koolmonoxide
D
Alle stoffen zorgen hiervoor

Slide 38 - Quizvraag

Welke stof in sigarettenrook zorgt dat de trilharen beschadigen?
A
koolstofmono-oxide
B
teer
C
nicotine

Slide 39 - Quizvraag

Een stofje in sigaretten gaat in je bloed op de plaats van het zuurstof zitten. Welk stofje is dat?
A
Teer
B
Koolmonoxide
C
Nicotine

Slide 40 - Quizvraag

Welke stof in sigarettenrook zorgt dat spiertjes rond de bloedvaten samentrekken?
A
koolstofmono-oxide
B
teer
C
nicotine

Slide 41 - Quizvraag

Heeft nicotine een verslavende werking?
A
ja
B
nee

Slide 42 - Quizvraag

Wat is het "intern milieu" van het lichaam? ?
A
bloedplasma en weefselvloeistof
B
bloedplasma
C
bloed en weefselvloeistof
D
weefselvloeistof

Slide 43 - Quizvraag

Dunne Darm
Lever
Leverslagader
Leverader
Dikke Darm
Poortader

Slide 44 - Sleepvraag


Drie bloedvaten zijn de leverader, de lever slagader en de poortader.
Waar is het bloed zuurstofrijk?
A
Alleen de leverslagader
B
In de leverader en in de poortader
C
In de leverslagader en in de poortader

Slide 45 - Quizvraag

Wat doen nieren?
A
Ze nemen koolstofdioxide op en maken hier zuurstof van.
B
Ze maken nieuwe bloedcellen aan en verwijderen versleten bloedcellen
C
Ze filteren bloed en verwijderen afvalstoffen (urine).
D
Ze helpen mee aan de vertering van moeilijke oplosbare stoffen zoals vetten

Slide 46 - Quizvraag

wat is géén functie van de lever
A
gal maken
B
witte bloedcellen aanmaken
C
gifstoffen uit het bloed halen
D
afvalstoffen uit het bloed halen

Slide 47 - Quizvraag

Nierschors
Nierbekken
Nierbekken
Nierader
Nierslagader

Slide 48 - Sleepvraag

Blaas
Urineleider
Nier
Nierslagader
Nierader
Urinebuis

Slide 49 - Sleepvraag

De buitenste laag van de nier wordt ...................................... van de nier genoemd
A
Het niermerg
B
De nierschors
C
Het nierkapsel
D
Het niervlies

Slide 50 - Quizvraag