kopie TaalCompleet A1 - Thema 5

TaalCompleet thema 5 & 6
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2MBOStudiejaar 1-4

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

TaalCompleet thema 5 & 6

Slide 1 - Tekstslide


A

Slide 2 - Quizvraag

Slide 3 - Tekstslide

Praatplaat
Opdracht: Kijk naar de praatplaat. Geef antwoord op de vragen. Schrijf de zinnen in je schrift. Klaar? Maak dan zelf zinnen bij de praatplaat.

  1. Waar is Tim?
  2. Wie werkt bij de receptie?
  3. Hoeveel mensen zitten in de wachtkamer?
  4. Waar is Eva?
  5. Wie maakt een afspraak bij de receptie?
  6. Waar is Koen?
  7. Wie is bij de tandarts?



timer
10:00

Slide 4 - Tekstslide

Antwoorden
  1. Tim is bij de huisarts.
  2. Maaike werkt bij de receptie.
  3. Drie mensen zitten in de wachtkamer.
  4. Eva is in de wachtkamer van de tandarts.
  5. Alex maakt een afspraak bij de receptie.
  6. Koen is bij de apotheek.
  7. Ahmet is bij de tandarts.

Slide 5 - Tekstslide

Is dit correct? 'Het trui is rood'
A
Ja
B
Nee

Slide 6 - Quizvraag

Is dit correct? 'De jurkje is klein'
A
Ja
B
Nee

Slide 7 - Quizvraag

Groep 1. Is dit correct? 'Het is duidelijk'
A
Ja
B
Nee

Slide 8 - Quizvraag

Groep 1. Is dit correct? 'Het is smakeluk'
A
Ja
B
Nee

Slide 9 - Quizvraag

5.4 en 5.6: Meervoud
Opdracht: Welk woord is goed? A, B of C? 

Slide 10 - Tekstslide

één voet - twee ...
A
voeten
B
voetten
C
voets

Slide 11 - Quizvraag

één been - twee ...
A
beenen
B
benen
C
beens

Slide 12 - Quizvraag

één oog - twee ...
A
oogen
B
ogen
C
oogs

Slide 13 - Quizvraag

één man - twee ...
A
manen
B
maanen
C
mannen

Slide 14 - Quizvraag

één raam - twee ...
A
raamen
B
ramen
C
raams

Slide 15 - Quizvraag

één neus - twee ...
A
neusen
B
neuzen

Slide 16 - Quizvraag

één teen - twee ...
A
teenen
B
tenen

Slide 17 - Quizvraag

één minuut - twee ...
A
minuuten
B
minuutten
C
minutten
D
minuten

Slide 18 - Quizvraag

5.4 en 5.6: Meervoud
Opdracht: Schrijf het meervoud op het bord.

  1. één tas - twee ...
  2. één arm - twee ...
  3. één map - twee ...
  4. één bed - twee ...
  5. één tand - twee ...
  6. één boek - twee ...
  7. één zus - twee ...
  8. één mes - twee ...

Slide 19 - Tekstslide

5.4 en 5.6: Meervoud
Antwoorden:

  1. één tas - twee tassen
  2. één arm - twee armen
  3. één map - twee mappen
  4. één bed - twee bedden
  5. één tand - twee tanden
  6. één boek - twee boeken
  7. één zus - twee zussen
  8. één mes - twee messen

Slide 20 - Tekstslide

5.7: Naar de dokter
Opdracht: Je bent bij de dokter. Wat is het probleem? Vertel het.

Ik heb last van ...
Ik heb pijn in ...
Ik heb ...pijn
Ik heb soms ...pijn
Ik voel mij .....
Ik kan niet .....

Slide 21 - Tekstslide

5.10: Dokter - dokters
Het meervoud met een -s

één jongen - tien jongens
één dokter - drie dokters
één meisje - twee meisjes
één sleutel - vier sleutels

Regel: Na -en, -er, -e en -el schrijf je een -s in het meervoud.

Slide 22 - Tekstslide

Groep 1. Zoek online een mooie broek, trui, jurk of t-shirt. Zet de foto hier en schrijf er een advertentietekst bij.

Slide 23 - Open vraag

5.10: Dokter - dokters
Schrijf in het meervoud op het bord:
de vader - de ..........
de keuken - ........
de huisarts - ........
de enkel - ........
het tasje - ........
het recept - ........

Slide 24 - Tekstslide

5.10: Dokter - dokters
Antwoorden:
de vader - de vaders
de keuken - de keukens
de huisarts - de huisartsen
de enkel - de enkels
het tasje - de tasjes
het recept - de recepten

Slide 25 - Tekstslide

Luister en schrijf op

Slide 26 - Open vraag

Luister en schrijf op

Slide 27 - Open vraag

Luister en schrijf op

Slide 28 - Open vraag

Luister en schrijf op

Slide 29 - Open vraag

5.11: Woorden met -eer, -oor of -eur

Slide 30 - Tekstslide