M1 unité 4: samenvatting unité 4

M1C
Sayomii
Alysia
Alexis
Wesely
Jelte
Annique
Jillian
Sasha
Yeva
Lisa
Aram
Jasmijn
Mees
Ronan
Fenna
Mayla
Bego
Lotte
Isabella
Alexandro
Milan
Boaz
Logan
Ryan
Docent
1 / 48
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 48 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

M1C
Sayomii
Alysia
Alexis
Wesely
Jelte
Annique
Jillian
Sasha
Yeva
Lisa
Aram
Jasmijn
Mees
Ronan
Fenna
Mayla
Bego
Lotte
Isabella
Alexandro
Milan
Boaz
Logan
Ryan
Docent

Slide 1 - Tekstslide

Jeudi le 3 avril- 
C

Slide 2 - Tekstslide

UNITÉ 4
JE LEERT:
  • onregelmatig ww: ALLER (gaan)
  • woordjes en zinnen over WONEN
  • je moet zelf kunnen vertellen waar je woont, hoe je woont, met wie je woont, de weg kunnen vragen en wijzen en je kamer beschrijven.

Slide 3 - Tekstslide

Wat hebben we allemaal al geleerd dit schooljaar?

*Unité 1: werkwoord: être & lidwoord: un, une, des, le, la , l', les
* Unité 2: werkwoord: avoir & bezittelijk voornaamwoord:
 mon, ma, mes, ton, ta, tes, son, sa ses
* Unité 3: regelmatig werkwoord -ER
aimer, détester, adorer, préférer + le/la/l'/les + ZN

Slide 4 - Tekstslide

Focusleren
Apprendre 3, 4& 6 en voorzetsels page 36- 37
timer
5:00

Slide 5 - Tekstslide

 opbouw van de luistertoets
  • Exercice A | 2 Dialogues : Luister naar de twee gesprekken. Kies het juiste antwoord.
  • Exercice B | Prononciation: Luister naar de gespelde namen en plaatsen. Schrijf ze op.
  • Exercice C | Compréhension semi-authentique: Geef voor elk gesprek aan naar welke bestemming wordt gevraagd.

Slide 6 - Tekstslide

Luister naar de gespelde namen en plaatsen. Schrijf ze op. 


1 …
2 …
3 …
4... 

Slide 7 - Tekstslide

Luister naar de gespelde namen en plaatsen. Schrijf ze op. 


1 Jacques
2 Mulhouse
3 Tanguy
4 Courbevoie

Slide 8 - Tekstslide

I Luister naar de twee gesprekken. Kies het juiste antwoord. 

Gesprek 1 gaat over de slaapkamer / woonkamer van Clémence en Aurélie.








Slide 9 - Tekstslide

Luister  naar gesprek 1. Kies het juiste antwoord.
.
3 A □ Aurélie deelt haar kamer met haar broertje.
 B □ Aurélie deelt haar kamer met haar zusje.
4 A □ Clémence houdt van blauw en rood.
 B □ Clémence houdt van blauw en roze.
5 A □ Het bureau van Clémence staat naast de deur.
 B □ Het bureau van Clémence staat onder het raam.

  

Slide 10 - Tekstslide

Hoe reageert Clémence als Aurélie over de posters in haar kamer vertelt? 
 A □ Clémence heeft medelijden.
 B □ Clémence is enthousiast.
 C □ Clémence is verbaasd.


Slide 11 - Tekstslide

I Luister naar de twee gesprekken. Kies het juiste antwoord. 

Gesprek 1 gaat over de slaapkamer








Slide 12 - Tekstslide

Luister  naar gesprek 1. Kies het juiste antwoord.
.
3 A □ Aurélie deelt haar kamer met haar broertje.
 
4 B □ Clémence houdt van blauw en roze.
5  B □ Het bureau van Clémence staat onder het raam.

  

Slide 13 - Tekstslide

6.Hoe reageert Clémence als Aurélie over de posters in haar kamer vertelt? 
 A □ Clémence heeft medelijden.



Slide 14 - Tekstslide

Où est le chien ? Où est le chat ?
Maak bij elk van de vijf plaatjes een Franse zin met een voorzetsel. Kijk goed of het om een huis of tafel gaat.
Begin je zin met le chien est of le chat est
Bijvoorbeeld : Le chien est dans la maison.

 
1. _______________________________________________
2. _______________________________________________
3. _______________________________________________
4. _______________________________________________








Slide 15 - Tekstslide

ontkennning

Slide 16 - Tekstslide

ne/n' ....... pas
Waar staat ne/n'...pas?

ne/n' staat voor de persoonsvorm en pas staat erachter.

Slide 17 - Tekstslide

Ne ... pas

Slide 18 - Tekstslide


Maak ontkennend:
Elle va à l'école
A
Elle n'va pas à l'école
B
Elle ne va pas à l'école
C
Elle ne pas va à l'école

Slide 19 - Quizvraag


Maak ontkennend:
Simon habite à Orléans.
A
Simon ne habite pas à Orléans
B
Simon n' habites pas à Orléans
C
Simon ne habite pas à Orléans
D
Simon n' habite pas à Orléans

Slide 20 - Quizvraag

Ontkenning. Hoe zet je "C'est" in de ontkenning?
A
Ce n'est pas
B
Ce ne est pas
C
C'est ne pas
D
C'n'est pas

Slide 21 - Quizvraag


Maak ontkennend:
Adrien a déménagé. 
A
Adrien ne a pas déménagé.
B
Adrien n'a pas déménagé.
C
Adrien a ne déménagé pas.
D
Adrien n'a déménagé pas.

Slide 22 - Quizvraag

Vertaal:
Tu ne manges rien?
A
Eet je niet?
B
Eet je niets?
C
Eet je nooit?
D
Eet je nog niet?

Slide 23 - Quizvraag

Beantwoord de vraag ontkennend in het Frans.
Tu aimes les sushis ? Non, je.............................

Slide 24 - Open vraag

Beantwoord de vraag ontkennend in het Frans.
Tu habites à Paris ? Non, je.............................

Slide 25 - Open vraag

Beantwoord de vraag ontkennend.
Ta mère est française? Non, .....

Slide 26 - Open vraag

Beantwoord de vraag ontkennend.
C'est facile? Non, ......................

Slide 27 - Open vraag

Slide 28 - Video

aller
Weet je nog hoe je het werkwoord aller moet vervoegen?

Slide 29 - Tekstslide

Het werkwoord "aller" aller = gaan. Net als être (zijn) en avoir (hebben) is aller een onregelmatig werkwoord
Aller
Gaan 
Je vais
Ik ga
Tu vas
Jij gaat
Il / elle  va
Hij / zij ga
on va
wij gaan
nous allons
wij gaan
vous allez
jullie gaan / u gaat
Ils / Elles vont
zij gaan

Slide 30 - Tekstslide

Nous .... (aller)

Slide 31 - Open vraag

elles (aller)

Slide 32 - Open vraag

ils ... (aller)

Slide 33 - Open vraag

Hij (aller)

Slide 34 - Open vraag

Aller (Vous)
timer
0:20

Slide 35 - Open vraag

Het werkwoord 'aller' (gaan)
schrijf het rijtje van 'aller'

Slide 36 - Open vraag

HOE LEER JIJ EIGENLIJK WOORDJES?

Slide 37 - Open vraag

vertaal: Ik houd van Frans.
Dat is mijn favoriete vak.






Ik hou van Frans.
Dat is mijn favoriete vak

Slide 38 - Open vraag

Slide 39 - Video

Maak aantekeningen in je schrift

Slide 40 - Tekstslide

Le pronom possessif

Het bezittelijk voornaamwoord
voorbeelden

C'est mon lit.                                = Het is mijn bed. 

Mon cours commence.             = Mijn les begint. 

Voilà ma chambre.                     = Hier is mijn slaapkamer.

Je suis dans ma piscine.           = Ik ben in mijn zwembad.

Je mange avec mes parents.  = Ik eet met mijn ouders. 

J'ai fini mes devoirs.                   = Ik heb mijn huiswerk af. 




Slide 41 - Tekstslide

De vorm van het bezittelijk naamwoord hangt af van het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort.
Het gaat om het bezit zelf, en niet de eigenaar.

Le lit           C'est mon lit.


La chambre          Voilà ma chambre.


Les parents          J'adore mes parents.

Slide 42 - Tekstslide

De vorm van het bezittelijk voornaamwoord

Vraag: wat valt je op?

Slide 43 - Tekstslide

Voorbeelden
1. Marc est mon frère.
2. Ils sont tes parents.
3. C'est sa maison
4. C'est notre voiture.
5. Ce sont vos livres.
6. Ils font leurs devoirs.
un, le,
l'
une, la,
l'
des, les
mnl + vrl
mnl + vrl
mnl + vrl

Slide 44 - Tekstslide

Vul het juiste bez. vnw. in:
Je suis dans ... (mijn) chambre. (vrl)
A
mon
B
ma
C
ta
D
sa

Slide 45 - Quizvraag

Vul het juiste bez. vnw. in:
George est ... (haar) cousin. (=neef dus mnl)
A
son
B
sa
C
ta
D
ton

Slide 46 - Quizvraag

Vul het juiste bez. vnw. in:
J'aime ...... (mijn) école (vrl).
A
ma
B
ton
C
sa
D
mon

Slide 47 - Quizvraag

Wat heb je deze les geleerd?

Slide 48 - Woordweb