Havo domein C + G

Domein C + G
Bedrijfseconomie havo 5
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
BedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les

Domein C + G
Bedrijfseconomie havo 5

Slide 1 - Tekstslide

Een rechtsvorm is
A
Een vorm die niet krom is.
B
de juridische vorm waarin een organisatie uitgeoefend wordt.
C
de juridische wijze waarop de aansprakelijkheid geregeld is.
D
de wettelijke wijze waarop de overname bij een vof geregeld is.

Slide 2 - Quizvraag

Bedrijven waarvan de aandelen beursgenoteerd zijn, hebben altijd deze rechtsvorm:
A
eenmanszaak
B
vof
C
bv
D
nv

Slide 3 - Quizvraag

Wat is maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo)?
A
ondernemer levert wat de doelgroep wil
B
ondernemer streeft naar maximale winst
C
ondernemer werkt samen met andere ondernemers
D
ondernemer houdt rekening met de omgeving

Slide 4 - Quizvraag

Wat is solvabiliteit?
A
Deze geeft de winstgevendheid van een bedrijf weer.
B
Laat zien of een bedrijf op de lange termijn aan haar verplichtingen kan voldoen.
C
Deze laat zien of een bedrijf op korte termijn aan haar verplichtingen kan voldoen.
D
Deze laat zien of er voldoende werkkapitaal aanwezig is.

Slide 5 - Quizvraag

Lang vreemd vermogen
Kort vreemd vermogen
Hypothecaire lening
Obligatielening
Leverancierskrediet
Onderhandse lening
Afnemerskrediet
Converteerbare obligatielening

Slide 6 - Sleepvraag

De solvabiliteit bereken je door:
A
VV/EV
B
EV/TV
C
TV/EV
D
EV/VV

Slide 7 - Quizvraag

Een onderneming is solvabel als de solvabiliteit hoger is dan ...
A
25%
B
50%
C
75%
D
100%

Slide 8 - Quizvraag

Wat is het personeelsbeleid?
A
Het beleid dat zich richt op het personeel en hen ziet als een onderdeel van het productieproces.
B
Is onderdeel van de marketingmix en wordt door het personeel bepaald.
C
Het beleid dat zich richt op alle aspecten van de relatie tussen mensen en arbeid.

Slide 9 - Quizvraag

Wat geeft liquiditeit aan?
timer
0:30
A
De mate waarin je in staat bent aan je kortlopende verplichtingen te voldoen
B
Of je in staat bent met je bezittigen je schulden af te lossen
C
Het geld wat je in kas hebt
D
De hoogte van je eigen vermogen

Slide 10 - Quizvraag

Sleep je juiste kengetallen bij het juiste begrip
timer
0:30
Liquiditeitskengetallen
Solvabiliteitskengetallen
Current Ratio
Quick Ratio
Debt Ratio
Solvabiliteitspercentage
Solvabiliteitsgraad

Slide 11 - Sleepvraag

Wat staat er minimaal in een arbeidsovereenkomst volgens de wet?
A
transitievergoeding, gezagsverhouding, loon
B
loon, arbeidsverplichting, gezagsverhouding
C
gezagsverhouding, arbeidsverplichting, transitievergoeding
D
arbeidsverplichting, arbeidsproductiviteit, loon

Slide 12 - Quizvraag

Liquiditeit wat is dat ook al weer?
Een bedrijf is liquide als....
A
een bedrijf met de voorraad de crediteuren betalen
B
een bedrijf de schulden op korte termijn kan betalen
C
een bedrijf aan de verplichtingen op korte termijn kan voldoen

Slide 13 - Quizvraag

Immateriele vaste activa
Materiële vaste activa
Financiële vaste activa
Vlottende activa
Eigen Vermogen
Lang vreemd vermogen
Kort vreemd vermogen
Deelneming
Agio Reserve
Obligatielening
Onderhandse lening
Crediteuren
Kas
Octrooien

Slide 14 - Sleepvraag

Vanaf wanneer is de liquiditeit van een bedrijf voldoende?
A
de quick ratio vanaf 0,1
B
Bij de quick ratio vanaf 0,5
C
de quick ratio vanaf 1,5

Slide 15 - Quizvraag

De current ratio bereken je door
A
Vlottende activa + liquide middelen / schulden op korte termijn
B
Vlottende activa - goederen / schulden op korte termijn
C
Vlottende activa - liquide middelen / schulden op korte termijn
D
Vlottende activa + voorraad / schulden op korte termijn

Slide 16 - Quizvraag

Bedrijven kiezen er vaak voor om een werknemer eerst een contract voor bepaalde tijd aan te bieden en pas daarna voor onbepaalde tijd. Welke redeneringen hierachter kloppen wel en welke niet?
Klopt wel
Klopt niet
De werknemer is dan gemotiveerder omdat hij/zij een verlenging wil.
Het is dan makkelijker om de werknemer tijdens de looptijd te ontslaan.
Het is dan makkelijker om de werknemer na de looptijd te ontslaan.
De werkgever kan de arbeidsovereenkomst opzeggen met ingang van de afloopdatum van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder vermelding van een goede, gedocumenteerde reden.
De werkgever hoeft de werknemer minder lang door te betalen, mocht hij/zij langdurig ziek worden.

Slide 17 - Sleepvraag

Wat gebeurt er met de liquiditeit als....
er een debiteur zijn schuld inlost

A
Verbeterd
B
Verslechterd
C
Blijft gelijk

Slide 18 - Quizvraag

De current ratio valt onder de
A
Solvabiliteit
B
Quick ratio
C
Liquiditeit
D
Rentabiliteit

Slide 19 - Quizvraag

Wie controleert de gang van zaken bij een faillissement?
A
Curator
B
Rechter Commissaris
C
Crediteur
D
De curator en rechter commissaris samen

Slide 20 - Quizvraag

Materiële vaste activa
Immateriële vaste activa
Financiële vaste activa
Vlottende activa
Goodwill
Inventaris
Lening u/g looptijd 5 jaar
Concessie
Vooruitbetaalde bedragen
Machines
Effecten (zeggenschap > 5%)
Voorraad gereed product

Slide 21 - Sleepvraag

De Jaarrekening bestaat uit:
A
Balans, toelichting en jaarverslag
B
Balans, W&V-rekening, toelichting op beide en jaarverslag
C
Balans en Winst-& verliesrekening en omzetgegevens
D
Balans, W&V-rekening en een bestuursverslag

Slide 22 - Quizvraag

REV
RVV
RTV
De verhouding tussen het inkomen van de onderneming en de investering die hiervoor nodig was.


Meet de winstgevendheid ten opzichte van het eigen vermogen.
De verhouding tussen het inkomen van de onderneming en de investering die hiervoor nodig was.

Slide 23 - Sleepvraag

Slide 24 - Tekstslide