Argumenten

1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Les 3.4
Vrij lezen

1.4 Opbouw en indeling
1.5 Feit, mening en argument

Weektaak, zelfstandig of in duo's verder werken: 
  • Beter Spellen (https://www.plusonline.nl/digitaal/plus-taaltest)
  • NuN Lezen 1.4, 1.5 
  • vrij lezen


theorie met 15 interactieve vragen (doel: minimaal 10-12 goed)

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Wat gaan we doen?
Vrij lezen

1.4 Opbouw en indeling
1.5 Feit, mening en argument

Zelfstandig of in duo's verder werken: 
  • Beter Spellen (https://www.plusonline.nl/digitaal/plus-taaltest)
  • NuN Lezen 1.4, 1.5 
  • 60 minuten vrij lezen in je tweede zelfgekozen leesboek


Slide 4 - Tekstslide

Lesdoelen
  • Weet ik wat de logische indeling van teksten is
  • Aan het einde van deze les weet ik het verschil tussen een feit en mening.
  • Aan het einde van deze les kan ik feiten en meningen herkennen.
  • Aan het einde van deze les kan ik argumenten opschrijven. 

Slide 5 - Tekstslide

Betoog: waar staan de argumenten die jouw stelling ondersteunen?
A
in de inleiding
B
in de kern
C
in het slot
D
door de hele tekst

Slide 6 - Quizvraag

Tekstindeling:
wat vind je in de inleiding van een tekst?

Slide 7 - Open vraag

Tekstindeling:
wat vind je in het slot van een tekst?

Slide 8 - Open vraag

Slide 9 - Tekstslide

Met andere woorden:
  • Inleiding: zeg wat je gaat zeggen
introductie van het onderwerp (met voorbeeld en/of aanhalen aanleiding)
korte uitleg van de opbouw 

  • Middenstuk / Kern: zeg wat je inhoudelijk te zeggen hebt
Uitwerking en onderbouwing van het centrale onderwerp (= bespreken deelonderwerpen)

  • Slot: zeg wat je hebt gezegd
samenvatting of conclusie
verwijzing naar het voorbeeld aan het begin van de tekst (= cirkel rond maken)

Slide 10 - Tekstslide

Signaalwoorden
In een goed opgebouwde tekst vind je logische verbanden tussen zinnen en alinea’s. 
 

Signaalwoorden:
  • geven verbanden tussen zinnen en alinea’s aan
  • hebben verschillende functies.

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Welk soort signaalwoorden verwacht je in de rest van de tekst?

Slide 13 - Tekstslide

Argumenten
Lesdoelen: 
  • Weet ik wat de logische indeling van teksten is
  • Aan het einde van deze les weet ik het verschil tussen een feit en mening.
  • Aan het einde van deze les kan ik feiten en meningen herkennen.
  • Aan het einde van deze les kan ik argumenten opschrijven. 

Slide 14 - Tekstslide

 argumenten
De schrijver wil bewijzen dat hij gelijk heeft, dat zijn mening juist is.

Het 'bewijs' levert hij/zij via een argument.
  • argument = de reden waarom je iets vindt. Hoe beter je argument hoe eerder iemand het met je eens is.

Slide 15 - Tekstslide

Wat is een argument?
Als iemand zijn mening wil verdedigen, legt hij uit waarom hij iets vindt. Dit noem je een argument.

Veel gebruikte signaalwoorden bij argumenten zijn: 
want
omdat
daarom
namelijk

Slide 16 - Tekstslide

Als je vertelt wat je van iets vindt. Dan is dat een feit of mening?
A
Feit
B
Mening

Slide 17 - Quizvraag

Feit of mening?

Slide 18 - Tekstslide

"Vapen is ongezond."

Feit of mening?
A
Feit
B
Mening

Slide 19 - Quizvraag

"Het was vanmorgen erg koud onderweg naar school."
A
Feit
B
Mening.

Slide 20 - Quizvraag

"Dit is een zin."
A
feit
B
mening

Slide 21 - Quizvraag

''In Nederland wordt veel brood gegeten in vergelijking met andere landen.''
A
feit
B
mening

Slide 22 - Quizvraag

Het is niet netjes om een grap over zijn moeder te maken.
A
feit
B
mening

Slide 23 - Quizvraag

"Gevlucht gezin met negen pleegkinderen terug naar
Oekraïne."
A
feit
B
mening

Slide 24 - Quizvraag

Titel van ingezonden brief: 'Zonnen is altijd slecht'
A
feit
B
mening

Slide 25 - Quizvraag

Mijn opa heeft z'n hele leven gerookt. Hij is 92 jaar. Het is dus onzin, dat roken slecht voor je is.
A
juiste argumentatie
B
onjuiste argumentatie

Slide 26 - Quizvraag

Slide 27 - Tekstslide

Wat is een subjectief argument?
A
als je het kunt bewijzen
B
als het onjuist is (vals)
C
als het vanuit jouw gevoel komt

Slide 28 - Quizvraag

Objectief en subjectief
Argumenten zijn objectief wanneer ze feitelijk zijn en subjectief wanneer ze een mening, een gevoel, een vermoeden of een waardeoordeel bevatten.

Slide 29 - Tekstslide

Voor moslims en joden is var-
kensvlees 'haram' (verboden).
A
objectief argument
B
subjectief argument

Slide 30 - Quizvraag

"Ik eet geen varkensvlees,
omdat het onreine dieren zijn."
A
objectief argument
B
subjectief argument

Slide 31 - Quizvraag

En nu...
Plus taaltest: opgaven maken + bij fouten
de uitleg lezen van het goede antwoord

NuN Lezen 1.4 Opbouw en indeling
NuN Lezen 1.5 Feit, mening en argument

Vrij lezen

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Tekstslide

Wat hebben we vandaag behandeld?
  1. De indeling van teksten met hun functie
  2. De functie van signaalwoorden en het verband dat zij aangeven
  3. Het verschil tussen een feit en mening
  4. Het herkennen van feiten en meningen
  5. Het verschil tussen objectieve en subjectieve argumenten

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide