Welke schrijfopdrachten moet je kunnen schrijven voor het IE Nederlands en wat zijn daar de kenmerken van?
Slide 2 - Tekstslide
Entree
Uitnodiging
Memo
Advertentie/affiche/flyer
Instructie
Formulier
Enquête
notulen/gespreksverslag
Zakelijke brief / persoonlijke brief
Zakelijke e-mail
Informatief artikel
Slide 3 - Tekstslide
Memo
Kort briefje, waarmee je snel iets doorgeeft aan iemand. Vaak worden er voorgedrukte briefjes gebruikt.
Check of je informatie volledig is: gebruik de 5w+h-vragen,
wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe.
Slide 4 - Tekstslide
Advertentie/flyer/affiche
Met deze teksten maak je reclame, kondig je een evenement aan of draag je een boodschap uit.
Activerende tekst, trek de aandacht van de lezer door gebruik te maken van verschillende lettertypes, -kleuren en -formaten en eventueel afbeeldingen of opvallende uitspraken.
Schrijf beknopt en check inhoud: 5w+h-vragen!
Slide 5 - Tekstslide
Instructie
Je legt uit hoe iets werkt of hoe je iets moet doen. Vraag je steeds af wat je publiek al weet.
Geef uitleg in stappen en markeer die met dots/cijfers/signaalwoorden.
(Optioneel:) Beschrijf per stap het resultaat en gebruik afbeeldingen.
Schrijf je tekst in de gebiedende wijs (ik-vorm).
Slide 6 - Tekstslide
Formulier
Gedrukt of digitaal document waarop je bepaalde gegevens moet invullen.
Schrijf duidelijk leesbaar als je dit met de hand invult en wees bij een toelichting, indien gevraagd, kort en duidelijk.
Slide 7 - Tekstslide
Enquête
Je maakt een enquête als je van een groep mensen informatie wilt hebben.
In de inleiding schrijf je het doel van de enquête, hoeveel tijd het invullen kost en geef je een instructie.
gebruik meerkeuzevragen of stellingen met bv vierpuntsschalen.
aan het eind laat je ruimte voor open vragen of opmerkingen.
Resultaten verwerk je door te turven, percentages te berekenen en maak je zichtbaar d.m.v een staaf- of cirkeldiagram.
Slide 8 - Tekstslide
Notulen/gespreksverslag
Verslag van een vergadering.
Bevat meestal de volgende onderdelen:
soort vergadering
datum
namen van de aan- en uitgenodigde afwezigen
agenda
samenvatting van wat er per agendapunt besproken is
afspraken
evt. datum volgende bijeenkomst
Slide 9 - Tekstslide
Zakelijke brief
Inleiding: reden en onderwerp van je brief.
Middenstuk: geef uitleg in alinea's
Slot: wat verwacht je van de lezer?
Slide 10 - Tekstslide
Zakelijke e-mail
Geef je e-mail een duidelijk onderwerp.
Kies een correcte aanhef: Geachte... of Beste... (nooit Hallo..).
Gebruik formele taal.
Noem de bijlagen die je meestuurt in je tekst.
Controleer of je de bijlage daadwerkelijk hebt toegevoegd.
Gebruik een correcte afsluiting: Met vriendelijke groet.
Verstuur zakelijke mails vanaf een account met een neutrale naam.
Slide 11 - Tekstslide
Informatief artikel
Je geeft achtergrondinformatie over een bepaald onderwerp.
Een artikel bestaat uit drie delen: inleiding, kern en slot.
Alleen feiten, die lezer kan controleren, geen meningen.
Gebruik signaalwoorden voor een duidelijke structuur.
Slide 12 - Tekstslide
Voor alle producten geldt....
Controleer spelling, leestekens en hoofdlettergebruik.
Hou voor ogen welk doel je wilt bereiken en welk taalgebruik daarbij past.
Hou voor ogen voor wie je schrijft en welk taalgebruik dan passend is.
Maak een schrijfplan!
Gebruik signaalwoorden om de structuur duidelijk te laten zien. .
Denk aan de indeling: inleiding, kern, slot. Begin ieder onderdeel een nieuwe alinea.
Controleer of je alle informatie uit de opdracht in je product hebt verwerkt!
Slide 13 - Tekstslide
Betoog
Maak een schrijfplan (par. 2.1).
Opbouw:
inleiding: je introduceert het onderwerp en je geeft een mening/stelling.
middenstuk: je onderbouwt je mening met argumenten, die je ondersteunt met uitleg of voorbeelden. Tegenargumenten noem je ook in het middenstuk.
slot: je vat de belangrijkste argumenten kort samen en je herhaalt je mening in andere woorden.
Gebruik signaalwoorden om je structuur duidelijk te maken!
Slide 14 - Tekstslide
Aan de slag!
Maak de examenopdracht van: link lesson up 30-11
de paragraaf informatief artikel; par.2.5
de paragraaf betoog; par. 2.6
de paragraaf informeel en formeel taalgebruik; par. 3.1