Fictiebegrippen

Fictiebegrippen SE4
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 29 slides, met tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Fictiebegrippen SE4

Slide 1 - Tekstslide

fictie
- twee boeken
- mondeling over:
            * boeken (inhoud, thema, hoofdpersonen etc.)      
            * begrippen fictie 
            * beoordelingswoorden

Slide 2 - Tekstslide

Doel van de fictielessen voor het SE
- Je weet hoe het onderdeel fictie bij ons op school wordt afgerond. 
- Je hebt je kennis over de literaire begrippen opgefrist.




Slide 3 - Tekstslide

Realistisch
  • Een verzonnen verhaal kan lijken op de werkelijkheid.
  • Een verhaal is realistisch als het lijkt op de werkelijkheid, geloofwaardig is en geen fantasie-elementen bevat. 

Slide 4 - Tekstslide

Niet-realistisch
Als er dingen voorkomen in een verhaal die niet geloofwaardig zijn.
Of als er fantasie-elementen voorkomen zoals: tovenaars, zombies en aliëns. 

Slide 5 - Tekstslide

Fictie
Non-Fictie
 'verzonnen verhaal'
 'niet verzonnen'
 realistisch/ niet-realistisch
werkelijkheid/feiten: krant, lesboek, (auto)biografie

Slide 6 - Tekstslide

Fictiebegrippen SE 4
1. genre
2. personages
3. perspectief
4. thema
5. ruimte/plaats
6. tijd/chronologie
7.  titel
8. motief
VMBO 4

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

GENRE = VERHAALSOORT

avonturenroman
historische roman
oorlogsroman
psychologische roman
science fiction (sf)'
dystopische roman
VMBO 4

Slide 9 - Tekstslide

Kinderjaren. Een novelle
Jona Oberski, 1978
Oberski vertelt in Kinderjaren over hoe hij opgroeit ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Oberski heeft toen in diverse concentratiekampen gezeten. Jona Oberski kiest ervoor om zijn kinderjaren vanuit de ogen van een jong kind te vertellen. Dat heeft veel gevolgen voor de stijl van het boek. De verschrikkingen van de oorlog worden bijna luchtig beschreven. Kinderjaren mag zeker als een klassieker in de Nederlandse literatuur worden beschouwd. Het is een boek dat je gelezen moet hebben.



128 pagina's


Slide 10 - Tekstslide

Opbouwschema van verhalen
Beginsituatie
Dieptepunt
Slot
Ontstaan van probleem
Steeds meer moeilijkheden
Langzame verbetering

Slide 11 - Tekstslide

Personages: hoofdpersoon
Hoofdpersoon
  • Belangrijkste personage in een verhaal. 
  • Maakt een ontwikkeling door. 
  • Wordt uitgebreid beschreven: je leest wat deze persoon denkt en voelt.
  • Heeft meestal een probleem of opdracht in het verhaal dat opgelost of volbracht moet worden. Dat heeft invloed op zijn karakterontwikkeling.

VMBO 4

Slide 12 - Tekstslide

Personages: bijpersonen
Bijpersonen
  • je weet hun gedachten en gevoelens niet;
  • ze veranderen niet;
  • ze reageren vaak voorspelbaar.
  • maakt geen ontwikkeling door = Flat character
  • zijn helper of tegenstander van de hoofdpersoon
VMBO 4

Slide 13 - Tekstslide

Personages beschrijven
Je kunt personages beschrijven aan de hand van:

- Uiterlijk
- Kenmerken (geslacht, leeftijd, gezondheid, achtergrond)
- Karaktereigenschappen
- Relaties met andere personages





VMBO 4

Slide 14 - Tekstslide

Perspectief
Een punt van waaruit iemand naar iets kijkt of waarneemt. Je kunt het zien als een camera: hoe de camera filmt, is je perspectief.
VMBO 4

Slide 15 - Tekstslide

Perspectief
Ik-perspectief: de lezer/de camera kijkt door de ogen van de ik-persoon. Je zit 'in het hoofd' van de hoofdpersoon en ervaart bijna hoe het is om de hoofdpersoon te zijn. Je kunt niet in de hoofden van de andere personen kijken.
Hij/zij-perspectief: de lezer/de camera kijkt mee vanaf de schouder van een hij/zij-persoon. Er is iets meer afstand tussen de lezer en de hoofdpersoon.
Je kunt niet in de hoofden van de andere personen kijken.
VMBO 4

Slide 16 - Tekstslide

ruimte
Ruimte heeft te maken met waar het verhaal zich afspeelt.

Niet alleen een bepaalde stad of dorp. Het kan ook een kamer zijn, of een wijk of zelfs een planeet.
Ook het weer, geluiden of geuren kunnen een rol spelen. 

VMBO 4

Slide 17 - Tekstslide

thema
Een korte samenvatting van het boek.
Geeft wel de bedoeling van de schrijver met het verhaal aan.
In een zin waarin ook het onderwerp wordt genoemd.
Om het thema te bepalen moet je ontdekken op welke manier personages, gebeurtenissen en ruimtes met elkaar te maken hebben.
Ook uit de afloop van een verhaal kun je soms afleiden wat het thema is.
Bijv.: Een scholier pleegt zelfmoord, omdat hij heel erg gepest wordt.
VMBO 4

Slide 18 - Tekstslide

thema
Denk na over de volgende vragen:
- Waar gaat het verhaal over?
- Welke elementen zie je steeds terugkeren?
- Waarom kiest de schrijver juist voor deze elementen? Wat is zijn bedoeling?
VMBO 4

Slide 19 - Tekstslide

thema: kind-zijn en het verlies van kind-zijn
 Een belangrijk thema van 'Kinderjaren': het kind-zijn en het moment dat je geen kind meer bent. Aan het begin van Kinderjaren is de hoofdpersoon een kleine jongen die steeds troost kan zoeken bij zijn ouders. In het concentratiekamp mag hij eerst niet met de grote kinderen meespelen, want hij is nog te klein. Dan sterft zijn vader. De grote kinderen zien hem nu niet meer als klein kind en hij mag meespelen, mits hij een proef aflegt: hij moet het ‘ketelhuis’ binnengaan. De jongen heeft het alleen verkeerd verstaan, het is niet het ‘ketelhuis’ maar het ‘knekelhuis’.

Slide 20 - Tekstslide

Chronologie/tijd
  • Chronologie - tijd
  • Worden de gebeurtenissen in de volgorde verteld waarin ze zich hebben afgespeeld?
  • Is er sprake van flashbacks (terug in de tijd)?
  • Of flashforwards (verwijst naar iets wat nog gebeuren moet, toekomst)
VMBO 4

Slide 21 - Tekstslide

Chronologie/tijd
  • Op welke manier kan tijd in een verhaal zichtbaar gemaakt worden?
  • Noemen van jaartal.
  • Historische gebeurtenissen.
  • Historische figuren.
  • Beschrijven van ruimte met kenmerkende gebouwen, kleding, gewoontes of voorwerpen. 
VMBO 4

Slide 22 - Tekstslide

Chronologie/tijd
  • Vooruitverwijzing: mededeling over iets wat later nog zal gebeuren of iets over de toekomst. Meestal één of enkele zin. Het verhaal wordt hierdoor niet onderbroken, het is dus chronologisch.
  • Terugverwijzing: een verwijzing naar het verleden. Het is een kort stukje (één of enkele zinnen) waarin een persoon terugdenkt aan of iets zegt over iets wat eerder gebeurd is. Het verhaal wordt hierdoor niet onderbroken, want je gaat niet terug de tijd in, het is dus chronologisch. 
VMBO 4

Slide 23 - Tekstslide

Chronologie/tijd
Flashback (terugblik): het verhaal wordt onderbroken en je
gaat terug de tijd in. Meestal is dit een wat langer stuk tekst bijv. een alinea, bladzijde of hoofdstuk. Het verhaal wordt
wél onderbroken door een flashback en is dus niet-chronologisch.
Flashforward (vooruitblik): het verhaal wordt onderbroken en je
gaat terug vooruit in de tijd. Meestal is dit een wat langer stuk tekst bijv. een alinea, bladzijde of hoofdstuk. Het verhaal wordt
wél onderbroken door een flashforward en is dus niet-chronologisch.
VMBO 4

Slide 24 - Tekstslide

Verschil terugverwijzing en flashback

Een terugverwijzing in een boek wijst met een kort zinnetje terug naar iets wat in het verleden gebeurd is. Bijvoorbeeld:

'Hij dacht terug aan die ochtend waarin hij haar nog in zijn armen had gehouden.' De verhaallijn wordt dus niet onderbroken.

Let op: bij een flashback onderbreek je de verhaallijn en ga je ook echt uit het verhaal. 

Bij een terugverwijzing/terugblik ga je niet uit het verhaal. 


VMBO 4

Slide 25 - Tekstslide

motief
Een motief is een element of gegeven dat herhaaldelijk terugkeert. Het is dus een kleiner onderwerp of kenmerk dat past bij het thema. 
Bijvoorbeeld: een voorwerp, een lied, een kleur, een bepaalde handeling, een geur of een gevoel dat beschreven wordt.

In 'Kinderjaren' is een belangrijk motief bijvoorbeeld: het harlekijntje. Staat voor het kind-zijn. Als de hoofdpersoon het verliest, staat het voor het verlies van het kind-zijn. 
VMBO 4

Slide 26 - Tekstslide

Titel

De doelen van een titel zijn:
1. de aandacht trekken;
2. het onderwerp introduceren.
Titelverklaring
Ieder boek heeft een titel, deze titel heeft vaak meerdere betekenissen. Je moet de titel van je boek kunnen verklaren. 
Heet je boek bijvoorbeeld 'Oorlogswinter', dan heet het boek zo, omdat het zich afspeelt in de winter van een oorlog. Je zou het ook nog kunnen verklaren als een helse winter, omdat er bijna geen eten te vinden was.
VMBO 4

Slide 27 - Tekstslide

Beoordelingswoorden
Wat het verhaal met je doet: denk erom dat je het goed motiveert.

 
  • Spannend - saai
  • Duidelijk - verwarrend
  • Humoristisch - zonder humor
  • Veel actie - gebeurt weinig in
  • Verdrietig - vrolijk

Slide 28 - Tekstslide

Beoordelingswoorden
Realistisch of niet-realistisch?

  • Realistisch of niet-realistisch?
  • Geloofwaardig - ongeloofwaardig
  • Herkenbaar - niet herkenbaar
  • Levensecht - bedacht
  • Kan echt gebeuren - kan niet echt gebeuren

Slide 29 - Tekstslide