In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 60 min
Onderdelen in deze les
PLANNING VAN DEZE LES
1. Leerdoelen
2. Zinsdelen
3. Quiz in LessonUp over zinsdelen
4. Theorie hen, hun zij + verwijswoorden
5. Taalblokken: theorie en opdrachten
Slide 1 - Tekstslide
1. LEERDOELEN
1. Je weet waar je zinsdelen plaatst in een zin
2. Je weet waarom je zinsdelen moet plaatsen
3. Je weet wanneer je hen, hun en zij gebruikt
4. Je weet wat een ingesloten lidwoord is
5. Je gebruikt het juiste verwijswoord
Waarom moet je dit weten?
Slide 2 - Tekstslide
2. ZINSDELEN
Je zet streepjes meteen vóór en meteen na de persoonsvorm.
Daar begin je altijd mee.
Elk streepje markeert een woord dat of woordgroep die vóór de persoonsvorm kan staan.
► Het resultaat is telkens een goede Nederlandse zin.
Slide 3 - Tekstslide
ZINSDELEN
De zinsdelen van de zin 'Bij mijn buren hebben ze een nieuwe hond', zijn:
Bij mijn buren | hebben | ze | een nieuwe hond.
... want dit zijn ook allemaal goede zinnen in het Nederlands:
- Ze | hebben | bij mijn buren | een nieuwe hond.
- Een nieuwe hond | hebben | ze | bij mijn buren.
Slide 4 - Tekstslide
ZINSDELEN
Er zijn twee manieren van ontleden. Bij deze, de redekundige, benoem je telkens elk zinsdeel 1x. Zo is één zinsdeel (het) onderwerp; één zinsdeel is de persoonsvorm.
De persoonsvorm is ook onderdeel van het werkwoordelijk gezegde, daarom benoem je de pv 2x. ► neem de pv dus mee als het werkwoordelijk gez. wordt gevraagd. Een goede zin moet één pv/werkwoord hebben.
Ww.gez.: moet hebben.
Slide 5 - Tekstslide
ZINSDELEN
De zinsdelen van de zin 'Bij mijn buren hebben ze een nieuwe hond', zijn:
Bij mijn buren | hebben | ze | een nieuwe hond.
... want dit zijn ook allemaal goede zinnen in het Nederlands:
- Ze | hebben | bij mijn buren | een nieuwe hond.
- Een nieuwe hond | hebben | ze | bij mijn buren.
Slide 6 - Tekstslide
4. PERSOONSVORM
Hoe herken je een werkwoord?
doe-woord
eindigt in praktisch alle gevallen op -en
Hoe herken je een zelfstandig naamwoord?
je kunt er een lidwoord voor zetten.
je kunt het verkleinen
je kunt het vermeerderen
Slide 7 - Tekstslide
3. QUIZ IN LESSONUP
Over zinsdelen
Slide 8 - Tekstslide
Is de onderstaande zin juist verdeeld in zinsdelen?
'De jonge held | kreeg | een onderscheiding.'
A
juist
B
onjuist
Slide 9 - Quizvraag
Is onderstaande zin juist verdeeld in zinsdelen?
'Koala's | eten | geen | vlees.'
A
juist
B
onjuist
Slide 10 - Quizvraag
'Henk schrijft.'
Uit hoeveel zinsdelen bestaat bovenstaande zin?
A
1
B
2
C
3
D
4
Slide 11 - Quizvraag
'Henk voetbalt op het veld.'
Uit hoeveel zinsdelen bestaat bovenstaande zin?
A
1
B
2
C
3
D
4
Slide 12 - Quizvraag
'De mooie vogel vliegt in de lucht.'
Uit hoeveel zinsdelen bestaat bovenstaande zin?
A
1
B
2
C
3
D
4
Slide 13 - Quizvraag
Hoeveel zinsdelen heeft onderstaande zin?
'De fiets van Henk stond in de schuur van mijn ouders.'
A
3
B
4
C
5
D
6
Slide 14 - Quizvraag
Hoeveel zinsdelen heeft onderstaande zin?
'Thuis heeft iedereen een eigen computer.'
A
2
B
3
C
4
D
5
Slide 15 - Quizvraag
Is onderstaande zin correct verdeeld in zinsdelen?
'Om half drie | gaat | Henk | trainen.'
A
juist
B
onjuist
Slide 16 - Quizvraag
Uit hoeveel zinsdelen bestaat onderstaande zin?
'Henk maakte een PowerPoint-presentatie.'
A
1
B
2
C
3
D
4
Slide 17 - Quizvraag
Is onderstaande zin correct verdeeld in zinsdelen?
'Gisteren | is | Henk | gevallen.'
A
juist
B
onjuist
Slide 18 - Quizvraag
4. THEORIE
Hen, hun, zij
Verwijswoorden
Slide 19 - Tekstslide
HEN, HUN, ZIJ (5.3)
►Hen: altijd als er een kastwoord voorstaat. [85 %]
Middenin de zin.
►Hun: alleen als het om bezit gaat. [5 %]
Middenin de zin.
►Zij/ze: altijd en alleen het onderwerp. [10 %]
Vooraan. Het kan ook onderwerp zijn in de tweede zin. Of derde.
Slide 20 - Tekstslide
VERWIJSWOORDEN (5.4)
►Persoon: voorzetsel + wie
Je zet een voorzetsel na 'wie' als het om een persoon gaat.
'Lola kwam iemand tegen met wie ze de hele avond sprak'.
►Ding of dier: plak het voorzetsel aan 'waar'
Je plakt een voorzetsel aan het verwijswoord: je verwijst naar iets anders (zaak of dier): 'waar' + voorzetsel. '
De bloemen waarmeeik haar verblijdde'
Slide 21 - Tekstslide
VERWIJSWOORDEN (5.4)
►Die: de jongen die daar loopt (want 'de').
►Dat: het meisje dat daar loopt (want 'het').
Slide 22 - Tekstslide
VERWIJSWOORDEN (5.4)
Mannelijk / vrouwelijk
Kijk naar het zelfstandig nw. Wat is het ingesloten lidwoord?
- Als dat 'het' is, is het verwijswoord mannelijk.
Woorden die eindigen op -ie, -ing, -heid, -theek of -teit zijn vrouwelijk.
'De militie heeft haar zinnen gezet op het veroveren van grensgebied'
Slide 23 - Tekstslide
VERWIJSWOORDEN (5.4)
Persoonlijk voornaamwoord (altijd onderwerp)
enkelvoud 1. ik 2. jij/je 3. hij/zij/het/u/men/er
meervoud 1. wij 2. jullie 3. zij/ze
Bezittelijk voornaamwoord (altijd vóór een zelfstandig nw)