24. BBL

PLANNING VAN DEZE LES
1.  Leerdoelen
2.  BBL: persoonsvorm en onderwerp + theorie + opdrachten
3.  BOL: persoonsvorm & onderwerp
4.  Zinsdelen
5.   Persoonsvorm

1 / 45
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 45 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

PLANNING VAN DEZE LES
1.  Leerdoelen
2.  BBL: persoonsvorm en onderwerp + theorie + opdrachten
3.  BOL: persoonsvorm & onderwerp
4.  Zinsdelen
5.   Persoonsvorm

Slide 1 - Tekstslide

1. LEERDOELEN
1. Je weet waar je zinsdelen plaatst in een zin
2. Je weet waarom je zinsdelen moet plaatsen
3. Je weet het onderwerp van een zin te vinden 
4. Je weet de persoonsvorm van een zin te vinden

Waarom moet je dit weten?

Slide 2 - Tekstslide

2. BBL 
Grammatica 5.7: Persoonsvorm en onderwerp (*) + theorie
- Quiz in LessonUp.

[De rest van dit hoofdstuk: 5.10: Klopt de zin? (opdracht 7 en 8) + theorie; Test jezelf: opdracht 3 en 4; eindtoets.]

Ga naar Taalblokken 4, Nederlands. Deze moet je hebben: Module - 1F | 2F | 3F Grammatica en Spelling (H5)


Slide 3 - Tekstslide

3. BOL 
- Over persoonsvorm en onderwerp
- Quiz in LessonUp

Slide 4 - Tekstslide

4. ZINSDELEN
Je zet streepjes meteen vóór en meteen na de persoonsvorm. 
Daar begin je altijd mee. 

Elk streepje markeert een woord dat of woordgroep die vóór de persoonsvorm kan staan. 

► Het resultaat is telkens een goede Nederlandse zin.  



Slide 5 - Tekstslide

ZINSDELEN
De zinsdelen van de zin 'Bij mijn buren hebben ze een nieuwe hond', zijn: 
Bij mijn buren | hebben | ze | een nieuwe hond.

... want dit zijn ook allemaal goede zinnen in het Nederlands:
- Ze | hebben | bij mijn buren | een nieuwe hond.
- Een nieuwe hond | hebben | ze | bij mijn buren.

Slide 6 - Tekstslide

ZINSDELEN
Er zijn twee manieren van ontleden. Bij deze, de redekundige, benoem je telkens elk zinsdeel 1x. Zo is één zinsdeel (het) onderwerp; één zinsdeel is de persoonsvorm. 

De persoonsvorm is ook onderdeel van het werkwoordelijk gezegde, daarom benoem je de pv 2x. ► neem de pv dus mee als het werkwoordelijk gez. wordt gevraagd. Een goede zin moet één pv/werkwoord hebben. 
  • Ww.gez.: moet hebben. 





Slide 7 - Tekstslide

ZINSDELEN
De zinsdelen van de zin 'Bij mijn buren hebben ze een nieuwe hond', zijn: 

Bij mijn buren | hebben | ze | een nieuwe hond.

... want dit zijn ook allemaal goede zinnen in het Nederlands:
- Ze | hebben | bij mijn buren | een nieuwe hond.
- Een nieuwe hond | hebben | ze | bij mijn buren.

Slide 8 - Tekstslide

4. PERSOONSVORM

Hoe herken je een werkwoord? 
  • doe-woord
  • eindigt in praktisch alle gevallen op -en

Hoe herken je een zelfstandig naamwoord? 
  • je kunt er een lidwoord voor zetten. 
  • je kunt het verkleinen
  • je kunt het vermeerderen


Slide 9 - Tekstslide

3. OPHAALQUIZ 
... over zinsdelen, onderwerp en persoonsvorm, werkwoordelijk gezegde en zelfstandig naamwoord.

Op de volgende slide begint de quiz (met veel quizvragen), dus pak je laptop erbij en log in. 

Slide 10 - Tekstslide

Is de onderstaande zin juist verdeeld in zinsdelen?

'De jonge held | kreeg | een onderscheiding.'
A
juist
B
onjuist

Slide 11 - Quizvraag

Is onderstaande zin juist verdeeld in zinsdelen?

'Koala's | eten | geen | vlees.'
A
juist
B
onjuist

Slide 12 - Quizvraag

'Henk schrijft.'

Uit hoeveel zinsdelen bestaat bovenstaande zin?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 13 - Quizvraag

'Henk voetbalt op het veld.'

Uit hoeveel zinsdelen bestaat bovenstaande zin?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 14 - Quizvraag

'De mooie vogel vliegt in de lucht.'

Uit hoeveel zinsdelen bestaat bovenstaande zin?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 15 - Quizvraag

Hoeveel zinsdelen heeft onderstaande zin?

'De fiets van Henk stond in de schuur van mijn ouders.'
A
3
B
4
C
5
D
6

Slide 16 - Quizvraag

Hoeveel zinsdelen heeft onderstaande zin?

'Thuis heeft iedereen een eigen computer.'
A
2
B
3
C
4
D
5

Slide 17 - Quizvraag

Is onderstaande zin correct verdeeld in zinsdelen?

'Om half drie | gaat | Henk | trainen.'
A
juist
B
onjuist

Slide 18 - Quizvraag

Uit hoeveel zinsdelen bestaat onderstaande zin?

'Henk maakte een PowerPoint-presentatie.'
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 19 - Quizvraag

Is onderstaande zin correct verdeeld in zinsdelen?

'Gisteren | is | Henk | gevallen.'
A
juist
B
onjuist

Slide 20 - Quizvraag

PERSOONSVORM
De persoonsvorm is altijd een werkwoord, dat het onderwerp 'laat werken'. 

In de Nederlandse taal heb je in een goede zin altijd één (zinsdeel met het) onderwerp en één (zinsdeel met de) pv. 

Weet je de kortst mogelijke zin? 

Slide 21 - Tekstslide

Wat is waar over de persoonsvorm?
A
het is altijd een werkwoord
B
het is altijd enkelvoud
C
het is altijd meervoud
D
het is altijd een zelfstandig naamwoord

Slide 22 - Quizvraag

Wat is de persoonsvorm van onderstaande zin?

'Waarom wandelt Henk de avondvierdaagse?'
A
waarom
B
er is geen persoonsvorm
C
wandelt
D
Henk

Slide 23 - Quizvraag

Wat is de persoonsvorm van onderstaande zin?

'Henk, houd eens je waffel.'
A
Henk
B
er is geen persoonsvorm
C
houd
D
je waffel

Slide 24 - Quizvraag

Wat is de persoonsvorm van onderstaande zin?

'Waarom kijkt hij niet graag naar thrillers?'
A
waarom
B
kijkt
C
hij
D
naar thrillers

Slide 25 - Quizvraag

Wat is de persoonsvorm van onderstaande zin?

'De wind blies het bootje weg'
A
de wind
B
blies
C
blies weg
D
het bootje

Slide 26 - Quizvraag

Wat is de persoonsvorm van onderstaande zin?

'Hij keek zijn moeder aan'
A
hij
B
keek
C
keek aan
D
zijn moeder

Slide 27 - Quizvraag

ONDERWERP
De persoonsvorm is dus een werkwoord dat het onderwerp 'laat werken'.  Kijk maar: 'Henk | staart | naar mij.' 

►Wat is de persoonsvorm? (zet de zin in een andere tijd).

Stel daarna de vraag 'wie of wat?' aan de persoonsvorm. 
Het antwoord is het onderwerp. 


Slide 28 - Tekstslide

Wat is het onderwerp van onderstaande zin?

'Heb jij thuis een heel grote hond?'

Slide 29 - Open vraag

Wat is het onderwerp van onderstaande zin?

'Het is koud buiten.'

Slide 30 - Open vraag

Wat is het onderwerp in onderstaande zin?

'De wind blies het bootje weg.'

Slide 31 - Open vraag

Wat is het onderwerp in onderstaande zin?
'In de keuken heeft de kok een heerlijke visschotel bereid.'

Slide 32 - Open vraag

Wat is het onderwerp van onderstaande zin?

'Wie is z'n boek kwijt?'

Slide 33 - Open vraag

Wat is het onderwerp in onderstaande zin?
'Vanmorgen vond hij in een tijdschrift de tekening van een vogelhuisje.'

Slide 34 - Open vraag

En wat is de persoonsvorm?
'Vanmorgen vond hij in een tijdschrift de tekening van een vogelhuisje.'

Slide 35 - Open vraag

WERKWOORDELIJK GEZEGDE
... ofwel alle werkwoorden in de zin. Alle doe-woorden, die praktisch altijd op -en eindigen. 

Kijk naar deze zin: 'Gisteren heeft hij zijn nieuwe huis bekeken.' 
► Hoe kom je er nu achter hoeveel werkwoorden er in de zin staan?
1. je maakt eerst zinsdelen van de zin.
2. je benoemt de pv.  
3. je benoemt het onderwerp. 
4. Zie je nog meer werkwoorden in de zin, in welke vorm dan ook? 


Slide 36 - Tekstslide

WERKWOORDELIJK GEZEGDE
Gisteren heeft hij zijn nieuwe huis bekeken.' 
► Hoe kom je er nu achter hoeveel ww er in de zin staan?

1. je maakt eerst zinsdelen van de zin: 
Gisteren | heeft | hij | zijn nieuwe huis | bekeken.
2. je benoemt de pv.  
3. je benoemt het onderwerp. 
4. Je benoemt alle werkwoorden/werkwoordsvormen.  



Slide 37 - Tekstslide

Wat is het werkwoordelijk gezegde?
'Ik keek naar hem.'

Slide 38 - Open vraag

Wat is het werkwoordelijk gezegde?

'Ze vergat het blik soep te openen'.

Slide 39 - Open vraag

In een zin met meer dan één werkwoord is de persoonsvorm altijd onderdeel van het:
A
werkwoordelijk gezegde
B
onderwerp
C
zelfstandig naamwoord

Slide 40 - Quizvraag

In een zin met maar één werkwoord is de persoonsvorm meteen ook het:
A
werkwoordelijk gezegde
B
onderwerp
C
zelfstandig naamwoord

Slide 41 - Quizvraag

BBL
Module - 1F | 2F | 3F Grammatica en Spelling ► Hoofdstuk 5

Ga naar 5.7: Persoonsvorm en onderwerp. 
- Maak de opdrachten. 
- Leesleer telkens de theorie aan de linkerkant.

Doel: je moet het begrijpen. Daarna kan je het (goed) toepassen.



Slide 42 - Tekstslide

BOL
Module - 1F | 2F | 3F Grammatica en Spelling ► Hoofdstuk 5

Ga naar 5.7: Persoonsvorm en onderwerp. 
- Maak de opdrachten. 
- Leesleer telkens de theorie aan de linkerkant.

Doel: je moet het begrijpen. Daarna kan je het (goed) toepassen.



Slide 43 - Tekstslide

BOL: 3F Thema | Bouwstenen H4
Leesleer 4.1 en maak alle opdrachten. De eindopdracht hoef je niet te doen.
4.2 Lezen: alle opdrachten maken, behalve 5, 6, 7, 12, 18, 20;
4.3 Schrijven: alle opdrachten maken, behalve 3, 4, 18;
4.4 Luisteren: alle opdrachten maken, behalve 3, 18, 21;
4.8 Samengevat: woordtrainer en lesstof (behalve: 'een samenhangende tekst schrijven'). Voor elke paragraaf geldt: inclusief de woordtrainer en lesstof.

Niet
Alles over de vaste tekststructuren. Ook Ik heb deze opdracht uitgevoerd mag je laten schieten. Wil je meer oefenen, dan is Versterk jezelf een goede optie.









Slide 44 - Tekstslide

EINDE VAN DE LES

Slide 45 - Tekstslide