Deel 1 M: Mens erger je niet!

Deel 1 M: Mens erger je niet!
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsHoger onderwijs

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Deel 1 M: Mens erger je niet!

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Welke speciale wagons heeft de trein? Schrijf er minimum 3 op.

Slide 3 - Open vraag

Deel 1 M: Mens erger je niet!

Slide 4 - Tekstslide

Wat betekent deze uitdrukking?
"Wees een heer in het verkeer."
A
Gedraag je als een man in het verkeer.
B
Gedraag je absoluut niet als een man in het verkeer.
C
Toon respect in het verkeer.
D
Toon geen respect in het verkeer.

Slide 5 - Quizvraag

Wat betekent deze uitdrukking:
"Niet te zuur achter het stuur."
A
Denk aan je positieve humeur in het verkeer.
B
Eet geen citroenen achter het stuur.
C
Gedraag je hoffelijk in het verkeer.
D
Rijd niet te snel.

Slide 6 - Quizvraag

Wat betekent de uitdrukking:
"Kinderen hebben voorrang"
A
Kinderen mogen doen wat ze willen.
B
Kinderen hoeven geen rekening te houden met voorrang van rechts
C
Kinderen zitten vooraan.
D
Kinderen krijgen prioriteit.

Slide 7 - Quizvraag

Wat is jullie grootste frustratie in het verkeer?

Slide 8 - Open vraag

Akkoord of niet?
"Ik erger me aan mensen die een rood licht negeren."
Akkoord
Niet akkoord

Slide 9 - Poll

Akkoord of niet?
"Ik erger me aan auto's die je snel voorbijsteken."
Akkoord
Niet akkoord

Slide 10 - Poll

Akkoord of niet?
"Ik erger me aan trage auto's."
Akkoord
Niet akkoord

Slide 11 - Poll

Akkoord of niet?
"Ik vind dat je in België te snel een parkeerboete hebt."
Akkoord
Niet akkoord

Slide 12 - Poll

Akkoord of niet?
"Dronken bestuurders kunnen niet streng genoeg bestraft worden."
Akkoord
Niet akkoord

Slide 13 - Poll

Hoffelijkheid in het verkeer
Neem je boek mondeling op pagina 10 en luister naar het interview

Slide 14 - Tekstslide

Waar + prepositie in vragen met (vaste) prepositie

Slide 15 - Tekstslide

Als je wil weten wat ik dikwijls klaarmaak, welke vraag stel je me dan?

Slide 16 - Open vraag

En als je wil weten wat ik gisteren in de supermarkt gekocht heb?

Slide 17 - Open vraag

Antwoorden
- Wat maak jij dikwijls klaar?
- Wat heb jij gisteren in de supermarkt gekocht?

Slide 18 - Tekstslide

Hebben deze verba een vaste prepositie?
- Wat maak jij dikwijls klaar?
- Wat heb jij gisteren in de supermarkt gekocht?
ja
nee

Slide 19 - Poll

Hoe formuleer je een vraag met dit verbum?
uitkijken naar

Slide 20 - Open vraag

Bij sommige verba met een prepositie gebruik je ‘waar’.


Ik kijk uit naar het weekend. ==> Waarnaar kijk je uit?

Slide 21 - Tekstslide

Hoe formuleer je een vraag met dit verbum?
genieten van

Slide 22 - Open vraag

Bij sommige verba met een prepositie gebruik je 'er'


Waar geniet jij van? ==> Ik geniet ervan als de zon schijnt.

Slide 23 - Tekstslide

Hoe formuleer je een vraag met het verbum?
zich ergeren aan

Slide 24 - Open vraag

Zich ergeren aan...

Waaraan erger je je? ==> Ik erger me aan slechte treinverbindingen.

==> Ik erger me eraan.
==> Ik erger me eraan dat mijn trein dikwijls vertraging heeft.

Slide 25 - Tekstslide

Wat is goed? In de zin "Waaraan erger je je?"
A
eerste je = subject, tweede je = possessief pronomen
B
eerste je = reflexief pronomen, tweede je = subject
C
eerste je = subject, tweede je = reflexief pronomen
D
eerste je = possessief pronomen, tweede je = reflexief pronomen

Slide 26 - Quizvraag

Welk verschil zie je tussen de drie antwoorden op de vragen met ‘waar’?
- Ik kijk uit naar het weekend.
- Ik geniet ervan als de zon schijnt.
- Ik erger me eraan dat de trein niet rijdt.

Slide 27 - Open vraag

Welk verschil zie je tussen de drie antwoorden op de vragen met ‘waar’?
Antwoord 1: staat alleen een substantief en geen bijzin, geen introductie met als.
Antwoord 2:  bijzin met als omdat de zon niet altijd schijnt en een hoofdzin met er om de bijzin te introduceren. 
 Antwoord 3:  bijzin met dat omdat de trein altijd vertraging heeft en een hoofdzin met er om de bijzin te introduceren.

Slide 28 - Tekstslide

Maak de goede vraag:
Ik maak dikwijls spaghetti bolognaise klaar.

 Ik heb gisteren groenten en fruit gekocht in de supermarkt.

Slide 29 - Tekstslide

Maak de goede vraag:
"Ik maak dikwijls spaghetti bolognaise klaar."

Slide 30 - Open vraag

Maak de goede vraag:
"Ik heb gisteren groenten en fruit gekocht in de supermarkt."

Slide 31 - Open vraag

Slide 32 - Tekstslide

Ergernissen (zie p. 13)
Wat is jouw grootste ergernis?
mensen die zonder licht rijden
mensen die door het rode licht lopen
mensen die naast elkaar op de weg rijden
mensen die door het rode licht rijden
mensen die een blikje op straat gooien
mensen die niet stoppen op het zebrapad
mensen die op de stoep rijden
mensen die op het fietspad wandelen

Slide 33 - Poll

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide

Zeg of je je eraan ergert of niet (zie boek p. 13-14)
Ik erger mij (niet) aan... fietsers die zonder licht rijden

Slide 36 - Tekstslide

Ik erger mij (niet) aan... fietsers die op de stoep rijden

Slide 37 - Tekstslide

Zeg of je je eraan ergert of niet (zie boek p. 13-14)
Ik erger mij (niet) aan... chauffeurs die door het rode licht rijden

Slide 38 - Tekstslide

Ga naar Worddocument TH4 M01 - Waar erger jij je aan

Slide 39 - Tekstslide

Dialoogje
Cursist A: Waar hou jij van?
Cursist B: Ik hou van chocolade.
Cursist B: Waar heb jij een hekel aan?
Cursist A: Ik heb er een hekel aan als het de hele dag regent.

Slide 40 - Tekstslide

Ergernissen op de weg of op het openbaar vervoer


Zo Gezegd mondeling, pp. 16-17

Slide 41 - Tekstslide

Elementen van een gesprek (18)
Persoon A
Persoon B
...
Bedoel je dan dat...?
Dat klopt/Inderdaad.
Nee, ik bedoel...

Slide 42 - Tekstslide

Elementen van een gesprek (18)
Persoon A
Persoon B
...
- Kan je daar meer uitleg over geven?
- Kan je daar een voorbeeld van geven?
Wel...

Slide 43 - Tekstslide