Simple vs continuous and vocab chapter 5 Stepping Stones

1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 1

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Doel van de les
Aan het einde van de les, kun jij...

...aangeven wanneer je de present simple gebruikt,
en wanneer de present continuous.
...minimaal 8 dieren opnoemen in het Engels.

Slide 3 - Tekstslide

Simple vs. continuous
Start:
homework, test, questions
Recap:
much and many
Grammar:
Present simple vs. Present continuous
Time left = game:
Describing animals

Slide 4 - Tekstslide

Start

homework, test, questions

Who hasn't finished their homework?
Questions about homework or the test?
I am available until 16.00 h today.



Slide 5 - Tekstslide

Recap

much and many

When do you use which?
Think about it... 20 seconds

Slide 6 - Tekstslide

I have ..... socks.
A
Much
B
Many

Slide 7 - Quizvraag

..... of yesterday's news was fake.
A
Much
B
Many

Slide 8 - Quizvraag

There are ..... students in this class.
A
Much
B
Many

Slide 9 - Quizvraag

We had so ..... fun.
A
Much
B
Many

Slide 10 - Quizvraag

Much

ONtelbare zelfstandig naamwoorden.

Much fun
Much water
Much sand
Many

Telbare zelfstandig naamwoorden.

Many months
Many books
Many turtles

Slide 11 - Tekstslide

Grammar
Present simple
I walk to school.

Present continuous
I am walking to school.

Wat is het verschil?
Steek je hand op.


Slide 12 - Tekstslide

Present simple
Hoe zeg je het in het Engels, als je altijd iets doet?
Ik drink altijd koffie in de ochtend.

Hoe zeg je het in het Engels, als je vaak iets doet?
Ik loop vaak naar de supermarkt.

Hoe zeg je in het Engels, als iets een feit is?
Water kookt bij 100 grades Celcius.







Slide 13 - Tekstslide

Present simple
Hoe zeg je het in het Engels, als je altijd iets doet?
I always drink coffee in the morning.

Hoe zeg je het in het Engels, als je vaak iets doet?
I often walk to the supermarkt.

Hoe zeg je in het Engels, als iets een feit is?
Water boils at 100 degrees Celcius.


Slide 14 - Tekstslide

Present simple
I walk to school.
He walks to school.

Je gebruikt het woord wat je krijgt (walk).
Alleen bij She, He, IT plak je een S achter het woord. (she walks)

Kun je zelf ook een zin maken? 
always- The monkey - on the floor - (poop)




Slide 15 - Tekstslide

Present simple
Dus:
Voor dingen die je vaak (often), regelmatig (regularly), altijd (always), nooit (never) doet, gebruik je de simpele vorm + de SHIT-regel.
Dit doe je ook bij feiten.





She
walks
I
walk
He
walks
We
walk
It
walks
They
walk

Slide 16 - Tekstslide

Tom never.... (see) a monkey
in the trees.
A
see
B
seen
C
sees
D
seas

Slide 17 - Quizvraag

Brad and Gina always .... (feed) their horse.
A
feeds
B
feed
C
feeden
D
feet

Slide 18 - Quizvraag

Present continuous
Hoe zeg je het in het Engels, als je nu iets doet?
We zijn cupcakes aan het eten, want ik ben jarig.

Hoe zeg je het in het Engels, als er nu iets gebeurt?
Ik loop nu naar de supermarkt.









Slide 19 - Tekstslide

Present continuous
Hoe zeg je het in het Engels, als je nu iets doet?
We are eating cupcakes, because it is my birthday.

Hoe zeg je het in het Engels, als er nu iets gebeurt?
I am walking to the supermarkt right now.









Slide 20 - Tekstslide

Present continuous
I am walking to school.
He is walking to school.
They are walking to school.

Je gebruikt het woord wat je krijgt (walk).
Je zet er am, is of are vóór.
Je plakt er -ing achter vast.





Slide 21 - Tekstslide

Present simple
Dus:
Bij dingen die nu aan de gang zijn, voeg je -ing aan je werkwoord toe.
Je zet er am, is of are vóór.







I am walking
She/he/it is walking
You are walking
They are walking
We are walking

Slide 22 - Tekstslide

Dad ..... (work) in the garage right now.
A
are working
B
is working
C
works
D
am working

Slide 23 - Quizvraag

Currently, I .... (watch) TV.
(currently = momenteel)
A
watch
B
is watching
C
watches
D
am watching

Slide 24 - Quizvraag

Present simple

Gebeurt vaak/altijd/nooit
Is een feit

Maak je met:
- niks bij I/you/they/we
- het ww+s bij she/he/it

I walk.
It walks.



Present continuous

Gebeurt nu

Maak je met:
- am/is/are
- het ww+ing

I am going.
It is going
They are going

Slide 25 - Tekstslide

Game time

- Make teams of 4
- Each team receives animal pictures.
- The teacher names an animal.
- The team that holds up the correct animal fastest, wins.
- 4 points? Your teams wins!

Slide 26 - Tekstslide

Game time
Bonusgame:

- Work in teams of 4
- You get 2 minutes
- Write the correct name, without spelling errors,
on the back of each card.
- Fastest team gets 4 points
timer
2:00

Slide 27 - Tekstslide