Grammatica blok 4 2KT

Grammatica - Blok 4
Aan het einde van deze les kan je het meewerkend voorwerp in een zin vinden. 
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Grammatica - Blok 4
Aan het einde van deze les kan je het meewerkend voorwerp in een zin vinden. 

Slide 1 - Tekstslide

Even herhalen
Lijdend voorwerp

Slide 2 - Tekstslide

(wie/wat + wwg + ond?)
Schrijf het lijdend voorwerp op.

Bartek denkt een backflip te kunnen doen.

Slide 3 - Open vraag

Theorie (lijdend voorwerp)
  • wie/wat + werkwoordelijk gezegde + onderwerp?

Voorbeeld:
Mijn oma | koopt | een elektrische fiets.
ond               pv             lijdend voorwerp                                              
Wie/wat heeft mijn oma gekocht? --> een elektrische fiets

Slide 4 - Tekstslide

(wie/wat + wwg + ond?)
Schrijf het lijdend voorwerp op.

Alia heeft haar koptelefoon altijd bij zich.

Slide 5 - Open vraag

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zin?

De makelaar geeft de sleutels.

Slide 6 - Open vraag

Maak onderstaande zin langer door
te zeggen 'aan wie' hij iets geeft.

De makelaar geeft de sleutels.

Slide 7 - Open vraag

Theorie (meewerkend voorwerp)
Het meewerkend voorwerp is vaak de ‘ontvangende partij’. Vaak begint het meewerkend voorwerp met het voorzetsel aan – als dat niet in de zin staat, kan het er meestal bij gedacht worden. Het MV zit niet in elke zin, alleen in zinnen met een LV.  Zit er geen LV in de zin? Dan heb je ook nooit een MV!
Je stelt jezelf de vraag: aan wie/ voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?
  • Julia en Kim gaven een cadeautje aan hun moeder.
  • Mijn vriend geeft de poes en de hond hun eten.





Slide 8 - Tekstslide

Theorie (meewerkend voorwerp)
pv = persoonsvorm
Zet de zin in een andere tijd --> pv verandert mee.
Hij heeft honger --> Hij had honger.
wwg = werkwoordelijk gezegde
- Alle werkwoorden uit de zin.
- Soms is hij gesplitst: De oma loopt niet door.
- 'te' hoort er ook bij: Hij zit altijd te praten.
- Moet goed klinken.
ond = onderwerp
Wie/wat + wwg? 
Waarom heeft de kleuter nooit gelogen? 
(wie/wat heeft gelogen? = de kleuter)
lv = lijdend voorwerp
Wie/wat + wwg + ond?
De docent heeft een laag cijfer op mijn toets geschreven. 
(wie/wat heeft de docent geschreven? = een laag cijfer)
mv = meewerkend voorwerp
Aan wie + wwg + ond + lv?
Ik geef mijn vriendje altijd een roos op Valentijnsdag.
(aan wie geef ik een roos? = mijn vriendje)

Slide 9 - Tekstslide

Welke vraag stel je om het meewerkend voorwerp in een zin te vinden?
A
zin vragend maken
B
wie / wat + pv?
C
wie / wat + onderwerp + gezegde?
D
aan wie / voor wie? + wwgezegde + ond +lijdvw

Slide 10 - Quizvraag

Wat is het meewerkend voorwerp?

Alle aanwezigen zongen voor de jarige een vrolijk welkomstlied.
A
voor de jarige
B
de jarige
C
alle aanwezigen
D
een vrolijk welkomstlied

Slide 11 - Quizvraag

Wat is het meewerkend voorwerp?

'De jongen schrijft een liefdesbrief aan zijn vriendin.'
A
De jongen
B
een liefdesbrief
C
aan zijn vriendin
D
Er is geen meewerkend voorwerp

Slide 12 - Quizvraag

Wat is het meewerkend voorwerp?

'Mijn oma appt mij het recept.'
A
Mijn oma
B
mij
C
het recept
D
Er is geen meewerkend voorwerp

Slide 13 - Quizvraag

PV
Zinsdelen
Onderwerp
Werkwoordelijk gezegde
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp

Slide 14 - Sleepvraag

Mijn moeder

geeft

mij
een glas ranja
onderwerp
gezegde
meewerkend voorwerp
lijdend
voorwerp

Slide 15 - Sleepvraag

Blok 4 grammatica
Na deze les kan je de bezittelijke en persoonlijke voornaamwoorden in een zin benoemen. 

Slide 16 - Tekstslide

Herhaling (ww - znw - bnw - lw - vz)
ww = werkwoord
- Doe-woorden
- Kun je vervoegen: zet er hij/jij/ik/wij voor en het werkwoord verandert mee!
znw = zelfstandig naamwoord
- mensen, dieren, dingen
- Kun je maak enkelvoud of meervoud van maken
bnw = bijvoeglijk naamwoord
- eigenschappen van zelfstandige naamwoorden 
lw = lidwoord
- de, het, een
vz = voorzetsel
- kastwoorden (op, voor, in, naast, enz.)
- feestwoorden (tijdens, na, enz)

Slide 17 - Tekstslide







Wat valt je op?

Slide 18 - Tekstslide

Theorie (persoonlijk voornaamwoord)
= verwijzen naar een persoon, een groep personen, voorwerpen of onzichtbare zaken.

Trucje om het persoonlijk 
voornaamwoord te vinden:
  1. Vervang het woord door een naam.
  2. Lukt dat? --> pers. vnw
  3. Lukt dat niet? --> iets anders

Slide 19 - Tekstslide

Wat is/zijn de persoonlijke voornaamwoorden?
Op de fruitschaal ligt het appeltje dat je wilde meenemen.

Slide 20 - Open vraag

Wat is/zijn de persoonlijke voornaamwoorden?

Jullie bootje botste net tegen dat van mij.

Slide 21 - Open vraag

persoonlijk voornaamwoord
Zij
geeft
de
kaarten
aan
ons.
Heeft
u
ons
gezien
tijdens
dat
feestje
van
hem.

Slide 22 - Sleepvraag

Theorie (bezittelijk voornaamwoord)
  • Geeft een bezit aan, dus van wie iets is. 
  • Staat altijd vóór het woord
    waar het bij hoort.

Slide 23 - Tekstslide

LET OP!
Let op het verschil in de volgende zinnen!

Dat is mijn telefoon. (bzv)
Is die telefoon van mij? (psv)

Slide 24 - Tekstslide

Noteer de bezittelijke voornaamwoorden:
Zij heeft haar broer een nieuwe telefoon gegeven.

Slide 25 - Open vraag

Noteer de bezittelijke voornaamwoorden:
Ons huis is vorige week eindelijk verkocht aan mijn beste vriend.

Slide 26 - Open vraag

bezittelijk voornaamwoord
Doet
jullie
computer
ook
zo
raar?
Hun
auto
is
duurder

Slide 27 - Sleepvraag

Bezittelijke voornaamwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden
Snapten
jullie
hun
vragen?
Zijn
grapjes
heb
ik
vaak
gehoord.
Waar
heeft
u
uw
auto
geparkeerd?

Slide 28 - Sleepvraag

Aan de slag!
Blok 4 Grammatica: 
Opdr. 4.7 en 4.8 

Huiswerk voor dinsdag!

Slide 29 - Tekstslide