V2 - Grammatica - oefeningen met ng/wg en zww/hww/kww

Planning
Stillezen: 5 minuten
Instructie met opdrachten: 25 minuten
Zelfstandig oefenen, op eigen niveau verder: 10-15 minuten
Klassikale afronding: 5 minuten




1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Planning
Stillezen: 5 minuten
Instructie met opdrachten: 25 minuten
Zelfstandig oefenen, op eigen niveau verder: 10-15 minuten
Klassikale afronding: 5 minuten




Slide 1 - Tekstslide

Doel van deze les:
     Werkwoorden herkennen en benoemen:
   > Zelfstandig werkwoord
   > Hulpwerkwoord
   > Koppelwerkwoord

     Gezegdes herkennen en benoemen:
   > Naamwoordelijk gezegde 
   > Werkwoordelijk gezegde
   


Slide 2 - Tekstslide

Zelfstandig werkwoord
  • Zelfstandige werkwoorden kunnen 'zelfstandig' in een zin     staan.
  • Een zelfstandig werkwoord kan niet worden weggelaten.
  • Staat er maar 1 werkwoord in de zin, dan is dat een  zelfstandig werkwoord                                                                                (of een koppelwerkwoord, daarover straks meer) 


Slide 3 - Tekstslide

Voorbeelden ZWW:
De kinderen spelen op straat

Welk ww kan niet worden weggelaten?
Staat het werkwoord alleen? > zww (of kww)

De kinderen hebben op straat gespeeld





Slide 4 - Tekstslide

Hulpwerkwoord
De kinderen hebben op straat gespeeld

Meer werkwoorden in de zin?
Dan is er (minstens) één het hulpwerkwoord.
Het hulpwerkwoord geeft "hulp" aan het zelfstandige werkwoord en kan ook worden weggelaten.
Het hulpwerkwoord heeft zelf geen duidelijke betekenis. 

Slide 5 - Tekstslide

hulpwerkwoord

ben
hebt
wordt
heeft
had
is
word 
Heb moeten
zelfstandig werkwoord

veranderd
uitgekozen
gehersenspoeld
bedacht
gepakt
geweest
gereden
aangeven

Slide 6 - Tekstslide

Koppelwerkwoorden 
- Een koppelwerkwoord geeft aan dat het onderwerp iets is.

- Koppelwerkwoorden komen voor in zinnen met een 
   naamwoordelijk gezegde.

- Er zijn 9 koppelwerkwoorden.

Slide 7 - Tekstslide

Koppelwerkwoorden
Het onderwerp is iets 

ZWABBELS + HDV

Heten = genoemd worden
Dunken = lijken / denken
Voorkomen = gebeuren



Slide 8 - Tekstslide

Voorbeeldzin 1: 

Zij is voorzitter

Zij = onderwerp
is = koppelwerkwoord
(het koppelt voorzitter aan zij.
is, is een vorm van het koppelwerkwoord zijn)

Voorbeeldzin 2:

Zij is voorzitter geweest
Zij = onderwerp
is = hulpwerkwoord
(is erbij gekomen om de voltooide tijd te maken)
geweest = koppelwerkwoord (geweest komt van zijn)

Slide 9 - Tekstslide

Nu jij:


Schrijf van de volgende zinnen de werkwoorden op en benoem ze: hww, zww, kww

1. Ik moet elke dag naar school fietsen
2. Wij zijn al een week verkouden
3. Wij zijn een week ziek geweest
4. Wij zijn een week thuis geweest

Slide 10 - Tekstslide

naamwoordelijk of werkwoordelijk gezegde?
Kijk naar de verschillende zinnen. wwg of nwg?

Hij gaat vandaag naar voetbal              
Hij is vandaag naar voetbal gegaan 

Hij wordt vandaag keeper
Hij is vandaag keeper geworden

Slide 11 - Tekstslide

Naamwoordelijk gezegde
Het naamwoordelijk gezegde zegt wat iemand of iets (het onderwerp) IS (of wordt of blijft).

Het naamwoordelijk gezegde = kww + [nw] + ww
het koppelwerkwoord + het naamwoord dat iets zegt over het onderwerp + alle andere aanwezige werkwoorden

Slide 12 - Tekstslide

Wat is het nwg? [vergeet haken niet]

De toets zou erg moeilijk zijn

Slide 13 - Tekstslide

Wat is het nwg? [vergeet haken niet]

Hij is een bijzondere componist geweest

Slide 14 - Tekstslide

Wat is het nwg?  [vergeet haken niet]

Pas gisteren bleek zijn bekentenis
hartstikke vals

Slide 15 - Tekstslide

werkwoordelijk gezegde
Het werkwoordelijk gezegde.

Alle werkwoorden in de zin = werkwoordelijk gezegde (WWG).

Slide 16 - Tekstslide

Werkwoordelijk gezegde?

'Ik kan het werkwoordelijk gezegde benoemen.'
A
ik
B
kan
C
benoemen
D
kan benoemen

Slide 17 - Quizvraag

Zelfstandig oefenen op maat
Kies uit de verschillende opdrachten:

1. herken en benoem het hww, zww en kww      = geel
2. herken en benoem het wwg en het nwg         = rood
3. creatieve schrijfopdracht wwg en nwg            = groen
4. creatieve schrijfopdracht met hww, zww en kww + wwg/nwg
                                                                                                  = blauw    
   10 minuten

Slide 18 - Tekstslide

Welke 6 werkwoorden kunnen koppelwerkwoorden zijn?

Slide 19 - Woordweb

Benoem de gezegdes:
 zin 1: De zon schijnt  vandaag voor veel uren 

zin 2: De zon schijnt vandaag sterk te zijn

Slide 20 - Tekstslide

Benoem de werkwoorden
zin 1: Het weer blijft slecht

zin 2: Hij blijft binnen

Slide 21 - Tekstslide

Afronding & Reflectie
Wat hebben we deze les gedaan?

Hoe vond je het gaan? Wat ging goed en wat niet? 

Heb je de lesdoelen gehaald? 

Bedenk waar je volgende les verder mee wil oefenen


Slide 22 - Tekstslide

Doelen gehaald? 
     Werkwoorden herkennen en benoemen:
   > Zelfstandig werkwoord
   > Hulpwerkwoord
   > Koppelwerkwoord

     Gezegdes herkennen en benoemen:
   > Naamwoordelijk gezegde 
   > Werkwoordelijk gezegde
   


Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide