Herhaling 0.1 Oorsprong van het geneesmiddel

Herhaling 0.1 Oorsprong van het geneesmiddel
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
Productzorg theorieMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 1 min

Onderdelen in deze les

Herhaling 0.1 Oorsprong van het geneesmiddel

Slide 1 - Tekstslide

Wat betekent indicatie?
A
Wanneer je een bepaald geneesmiddel niet mag gebruiken
B
Wisselwerking met andere medicatie
C
Waarvoor je een geneesmiddel gebruikt
D
Ongewenste effecten van een geneesmiddel

Slide 2 - Quizvraag

Wat betekent interactie?
A
Wanneer je een bepaald geneesmiddel niet mag gebruiken
B
Wisselwerking met andere medicatie
C
Waarvoor je een geneesmiddel gebruikt
D
Ongewenste effecten van een geneesmiddel

Slide 3 - Quizvraag

Wat betekent contra-indicatie?
A
Wanneer je een bepaald geneesmiddel niet mag gebruiken
B
Wisselwerking met andere medicatie
C
Waarvoor je een geneesmiddel gebruikt
D
Ongewenste effecten van een geneesmiddel

Slide 4 - Quizvraag

Hoe keek men vroeger tegen ziekte aan?
A
Alsof je wat verkeerds had gegeten
B
Als een straf van bovenaf
C
Ziekte kon niet genezen
D
Falen van het lichaam

Slide 5 - Quizvraag

De Griekse god van de geneeskunde eet asclepios. De naam voor
het apothekerslogo hiervan
afgeleid
A
Ascleep
B
Asclaap
C
Esculaap
D
Esculeep

Slide 6 - Quizvraag

Wat betekend het als een ziekte acuut is?
A
Grote delen van de bevolking zijn besmet
B
Het blijft heersen onder de bevolking
C
Is langdurig aanwezig
D
Hij komt plots opzetten

Slide 7 - Quizvraag

Welke 4 lichaamssappen zijn er volgens de leer van humorus?
A
Gele gal, Zwarte gal, bloed en slijm
B
Groene gal, Bruine gal bloed en urine
C
Groene gal, Zwarte gal, bloed en urine
D
Groene gal, Zwarte gal, bloed en slijm

Slide 8 - Quizvraag

Els neemt elke morgen gemberthee voor haar gezondheid.

Wat voor soort therapie is dit?
A
Homeopathie
B
Fytotherapie
C
Allopathie
D
Podotherapie

Slide 9 - Quizvraag

Marvin neemt een paracetamol voor zijn hoofdpijn.

Wat voor soort therapie is dit?
A
Homeopathie
B
Fytotherapie
C
Allopathie
D
Podotherapie

Slide 10 - Quizvraag

Een capsule is een voorbeeld van een:
A
Toedieningsvorm
B
Toedieningsweg
C

Slide 11 - Quizvraag

Via de luchtwegen is een voorbeeld van een:
A
Toedieningsvorm
B
Toedieningsweg

Slide 12 - Quizvraag

Dit is:
A
Mariadistel
B
Rode zonnehoed
C
Valeriaan
D
Sint janskruid

Slide 13 - Quizvraag

Dit is:
A
Mariadistel
B
Rode zonnehoed
C
Valeriaan
D
Sint janskruid

Slide 14 - Quizvraag

Sint janskruid wordt gebruikt voor de bewezen indicatie:
A
Milde maag-darmproblemen
B
Kanker
C
Hoofdpijn
D
Slaapproblemen

Slide 15 - Quizvraag

Homeopathie maakt gebruik van:
A
Uitsluitend planten
B
Verdunningen
C
Uitsluitend dierlijke producten
D
Mengsels van geneesmiddelen

Slide 16 - Quizvraag

Testen op gezonde vrijwilligers gebeurd in fase ... van geneesmiddelonderzoek
A
Fase I
B
Fase II
C
Fase III
D
Fase IV

Slide 17 - Quizvraag

Testen op een grote groep zieke mensen gebeurd in fase ... van geneesmiddelonderzoek
A
Fase I
B
Fase II
C
Fase III
D
Fase IV

Slide 18 - Quizvraag

Bijwerkingen meld je:
A
Op apotheek.nl
B
Op Lareb.nl
C
Kan je niet zelf en gaat via de arts
D
Kan je niet zelf en meld je via de apotheek

Slide 19 - Quizvraag

Patiënten kunnen betrouwbare informatie over geneesmiddelen vinden op:
A
Op apotheek.nl
B
Op Lareb.nl
C
Google
D
Wikipedia

Slide 20 - Quizvraag

Het merknaam van dit
middel is
A
Panadol
B
Paracetamol
C
500 mg
D
filmomhulde tabletten

Slide 21 - Quizvraag

De afleverstatus UA staat voor:
A
Uitsluitend apothekersassistenten
B
Uitsluitend apotheek
C
Uiterlijk afleveren
D
Uiterlijk afhalen

Slide 22 - Quizvraag