Leg je iPad op tafel. Log alvast in op LessonUp (de code staat linksonder in beeld).
§2: Herhaling leerjaar 1
Voordat we beginnen:
WELKOM 2KC
GRAMMATICA
ZINSDELEN
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, tLeerjaar 2
In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 45 min
Onderdelen in deze les
Leg je iPad op tafel. Log alvast in op LessonUp (de code staat linksonder in beeld).
§2: Herhaling leerjaar 1
Voordat we beginnen:
WELKOM 2KC
GRAMMATICA
ZINSDELEN
Slide 1 - Tekstslide
Lesdoelen
Je weet hoe je in een zin de persoonsvorm, het onderwerp en het werkwoordelijk gezegde kunt vinden.
Je hebt de herhaling van leerjaar 1 gemaakt.
Slide 2 - Tekstslide
In deze les gaan we:
Toets Spelling bekijken en herkansing onvoldoendes afspreken;
Starten met een nieuw hoofdstuk (grammatica zinsdelen);
de uitleg behandelen van paragraaf 2 (en hierbij aantekeningen maken);
de opdrachten van de herhaling van leerjaar 1 maken (digitale paragraaf);
gezamenlijk afronden.
Slide 3 - Tekstslide
Opdracht
Bedenk
1. een persoon
2. iets wat je gaat doen of hebt gedaan
Slide 4 - Tekstslide
Keuzemenu
1. Ik weet heel goed hoe ik de persoonsvorm, het werkwoordelijk gezegde en het onderwerp kan vinden.
2. Ik vind het fijn om even mee te doen met de opfriscursus.
Ga naar de online methode en maak opdracht 1 t/m 6.
Zorg dat je LessonUp voor je hebt en doe gezellig mee.
Slide 5 - Tekstslide
Slide 6 - Tekstslide
Je kunt de persoonsvorm in een zin op drie manieren vinden.
Schrijf mee in je schrift, maak aantekeningen!
Slide 7 - Tekstslide
De tijdsproef
1) Verander de zin van tijd.
Het woord dat dan verandert, is de persoonsvorm.
Kijk maar:
Nadia wilin het weekend geen huiswerk maken.
Nadia wilde in het weekend geen huiswerk maken.
De vraagproef
2) Maak van de zin een vraag.
Het werkwoord dat dan vooraan komt te staan, is de persoonsvorm.
Robbie heeft woensdag een wedstrijd.
Heeft Robbie woensdag een wedstrijd?
De getalsproef
3) Verander het getal (het aantal) van de zin.
Het woord dat dan verandert, is de pv.
Hiddozat tijdens de uitleg aan andere dingen te denken.
Hiddo en Woutzaten tijdens de uitleg aan andere dingen te denken.
Slide 8 - Tekstslide
Wat is de beste manier om de persoonsvorm te vinden?
de tijdproef
de vraagproef
de getalsproef
Slide 9 - Poll
''Fleur had twee paar nieuwe schoenen bij Zalando besteld.'' Wat is de persoonsvorm?
Slide 10 - Open vraag
Welke van de drie manieren heb jij bij de vorige vraag gebruikt om de persoonsvorm te vinden?
Slide 11 - Open vraag
Zinsdelen
Een zin bestaat uit verschillende zinsdelen. Zinsdelen kun je uit een zin halen door te kijken naar welke woorden je voor de persoonsvorm kunt plaatsen. Een zinsdeel is één woord of een groepje woorden die bij elkaar horen. Een voorbeeldzin:
Jan heeft Pim vorige week z'n boek geleend.
Slide 12 - Tekstslide
Is de zin juist verdeeld in zinsdelen?
De jonge held | kreeg | een onderscheiding.
A
juist
B
onjuist
Slide 13 - Quizvraag
In 1953 werd Nederland getroffen door een watersnoodramp.
Neem de zin over en verdeel de zin in zinsdelen. Plaats tussen de zinsdelen een /
Slide 14 - Open vraag
Het onderwerp
Het onderwerp in een zin:
'Tijdens zijn show amuseert de cabaretier het publiek met zelfgeschreven liedjes.'
De cabaretier = het onderwerp
Het onderwerp van de zin is vaak een persoon (of dier/ding) die iets doet. Vrijwel elke zin heeft een onderwerp.
Hoe vind je het onderwerp?
Stel de vraag:
Wie/wat + persoonsvorm?
Slide 15 - Tekstslide
Wat is het onderwerp?
''De auto van drie miljoen euro was tegen een boom gecrasht.''
A
de auto
B
de auto van drie miljoen euro
C
was gecrasht
D
tegen een boom
Slide 16 - Quizvraag
Wat is het onderwerp?
''Ik heb honderd euro verdiend met het rondbrengen van deze folders.''
A
Ik
B
heb
C
honderd euro
D
met het rondbrengen van deze folders
Slide 17 - Quizvraag
Werkwoordelijk gezegde (wg)
Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden in de zin.
Ze zeggen wat het onderwerp (mens, dier of ding) doet of ondergaat.
De persoonsvorm is altijd een onderdeel van het werkwoordelijk gezegde.
Als er meer werkwoorden in de zin staan, horen die er ook bij.
Slide 18 - Tekstslide
Werkwoordelijk gezegde (wg)
Bepaal welke woorden werkwoorden zijn.
Deze woorden vormen samen het werkwoordelijk gezegde.
Delen van een scheidbaar werkwoord horen ook bij het wg.
Robin eet de taart op. (opeten)
De bezorger heeft het pakketje gisteravond afgeleverd.
Slide 19 - Tekstslide
Noteer het werkwoordelijk gezegde:
Ik ben mijn broodjes en drinken thuis vergeten.
Slide 20 - Open vraag
Noteer de werkwoorden:
Mijn vader is vorig weekend van de ladder gevallen.
Slide 21 - Open vraag
''Duizenden mensen werkten vijf jaar lang aan de bouw van de Afsluitdijk.''
Hoe veel werkwoorden staan in bovenstaande zin?
A
1
B
2
C
3
D
4
Slide 22 - Quizvraag
Noteer van de volgende twee zinnen de persoonsvorm (pv), het onderwerp (ow), het werkwoordelijk gezegde (wg).
1. Mijn broertje koopt iedere maand een nieuwe game.