Je vindt het onderwerp door de vraag te stellen: Wie/wat + wg?
Mijn leraar Nederlands | vertelt | graag.
Wie/wat vertelt?
o = mijn leraar Nederlands
wg = vertelt
Je vindt het lijdend voorwerp door de vraag te stellen: Wie/wat + wg + o?
Mijn leraar Nederlands | vertelt | graag | mooie verhalen.
Wie/wat vertelt mijn leraar Nederlands?
lv = mooie verhalen
o = Mijn leraar Nederlands
wg = vertelt