31 maart 2025

31 maart 2025
Nieuwsbegrip
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
AardrijkskundePraktijkonderwijsLeerjaar 4

In deze les zitten 30 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

31 maart 2025
Nieuwsbegrip

Slide 1 - Tekstslide

Laptops dicht laten
Tijdens deze les heb je je laptop niet nodig, dus die blijft dicht. 

Slide 2 - Tekstslide

Woordraadstrategieën
Wat betekent dit?

Slide 3 - Tekstslide

Woordraadstrategieën
Strategieën om een woord te raden in een tekst.
Een strategie is een slimme manier om een doel te bereiken. 
Een woordraadstrategie is een slimme manier om de betekenis van een woord te raden.

Slide 4 - Tekstslide

Woordraadstrategieën
1. Je kijkt naar delen van het woord die je al kent
Woord en raad in het woord woordraadstrategieën.
2. Lees een stukje verder of terug in de tekst:
- Vaak wordt een ander woord gebruikt dat ongeveer hetzelfde betekent.
- Of het woord wordt uitgelegd verder in de tekst.
Bijvoorbeeld: "(...) engelenhaar. Engelenhaar zijn deegsliertjes (...)".
3. Kijk naar het plaatje. Soms staan er plaatjes in een tekst die je kunnen helpen bij het raden van de betekenis van een woord.

Slide 5 - Tekstslide

Maak de opdrachten

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Jaartelling
1500 vC = 1500 jaar voor Christus
Wat gebeurde er in het jaar 0?

Slide 8 - Tekstslide

Hiëroglyfen

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Graftombe(s)
Wat is een graftombe?

Slide 11 - Tekstslide

Graftombe(s)
Zijn bouwwerken waar een graf in zit. 
Vaak van een belangrijk iemand. 
Voorbeelden van graftombes zijn



Slide 12 - Tekstslide

Waar gaat deze les over?

Slide 13 - Tekstslide

Deze les gaat over
farao's


Slide 14 - Tekstslide

Lesdoelen
1. Je leert tien nieuwe woorden kennen.
2. Je oefent met gericht kijken en luisteren.

Slide 15 - Tekstslide

Lesdoelen gehaald?
1. Een galerie is 
A. een plek waar je kunst kunt kopen. 
B. een plek waar schilderijen worden gerestaureerd. 
2. Restaureren betekent
A. Iets repareren zoals het was.  
B. Eten op het station of in de trein.

Slide 16 - Tekstslide

Woordweb
Maak een woordweb rond het woord scheidsrechter.

Teken in het midden van het blad een rondje waarin je het woord scheidsrechter schrijft. 

Schrijf om het woord scheidsrechter alle woorden op die je kent, die volgens jou met scheidsrechter te maken hebben.

Slide 17 - Tekstslide

Kijk naar de tekst
Schrijf de titel op.
Schrijf de tussenkopjes over.
Hoeveel alinea's heeft deze tekst?
Waar gaat de tekst over? Schrijf dat in één zin op.

Slide 18 - Tekstslide

Verwijswoorden
Denk in stilte na wat het woord verwijs betekent? (1 minuut)
Bespreek na 1 minuut met degene die naast je zit wat je denkt dat het betekent.
Daarna bespreken we het klassikaal.

Slide 19 - Tekstslide

Wat gaan we deze les doen?
1. We kijken een kort stukje van de video Ape Shit van The Carters die in het Louvre is opgenomen.
2. We lezen samen de tekst.
3. Jullie maken de oefeningen.
4. We bespreken de moeilijke woorden.

Slide 20 - Tekstslide

Moeilijke woorden uit de tekst
Knullig                                                hoogstens
De galerie                                         het portret
Onherstelbaar                                de zeefdruk
Van onschatbare waarde          de stijl
een kwartet                                      restaureren
legaal                                                  verzekeren.
onverkoopbaar



Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Verwijswoorden
Voorbeelden van verwijswoorden zijn: 
hij, zij, ze, het, dat, die, haar, hem, hun, er, ervan, daar, daarmee, daarop
Joey houdt van appels. Hij eet ze daarom heel vaak.
In Amsterdam staan veel haringkarren. Daar eten ze dus vaak haring.

Slide 25 - Tekstslide

Verwijswoorden
Een verwijswoord verwijst naar een ander woord of een groep andere woorden die hetzelfde betekenen.
Er zijn verwijswoorden voor een plaats (er, daar), voor een persoon (hem, haar, ze), voor een ding (het, dit, dat), of voor een tijd (toen, dan).
Voorbeelden van verwijswoorden zijn: 
hij, zij, ze, het, dat, die, haar, hem, hun, er, ervan, daar, daarmee, daarop
Joey houdt van appels. Hij eet ze daarom heel vaak.

Slide 26 - Tekstslide

Waarom gebruiken we verwijswoorden?
De leerlingen van de LUCA Praktijkschool houden van dingen doen. De leerlingen van de LUCA Praktijkschool houden ook van leren. De leerlingen van de LUCA Praktijkschool vinden het fijn om te leren door te doen.

Slide 27 - Tekstslide

Waarom gebruiken we verwijswoorden?
De leerlingen van de LUCA Praktijkschool houden van dingen doen. Ze houden ook van leren. Ze vinden het fijn om te leren door te doen.

Opdracht: 
Wat is het verschil tussen deze twee teksten?
Wat zijn 

Slide 28 - Tekstslide

Wat gebeurt er als je alleen verwijswoorden gebruikt?
Ze gingen toen daar naar toe. Toen ze daar waren aten ze dat. Hij gaf haar een. 

Slide 29 - Tekstslide

Als je alleen verwijswoorden gebruikt, dan begrijpt de ander niet waar je over praat.
Ze gingen toen daar naar toe. Toen ze daar waren aten ze dat. Hij gaf haar één. 

Mijn vrienden gingen gisteren naar de kermis. Toen ze daar waren aten ze suikerspinnen. Ken gaf Barbie een (suikerspin).

Slide 30 - Tekstslide