T3 §3.7: persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord; telwoorden

Lekker lezen
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmboLeerjaar 1-4

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Lekker lezen

Slide 1 - Tekstslide

Nederlands
Woordsoorten

Slide 2 - Tekstslide

Woordsoorten die je al kent:


lw, zn, bn, vz, ww, tw

Slide 3 - Tekstslide

Nieuwe woordsoorten

Aan het einde van de les ken je drie nieuwe woordsoorten:

  • persoonlijk voornaamwoord
  • bezittelijk voornaamwoord
  • telwoord




Slide 4 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord
Het persoonlijk voornaamwoord vervangt een zelfstandig naamwoord, vaak een naam:
Simone is docent.                         -     Zij is docent. 
Vincent is cool.                              -     Hij is cool.
Mw. Kool geeft les aan T3A       -     Ik geef les aan jullie.
Dina geeft een boek aan Ilyas   -    Zij geeft het aan hem

Slide 5 - Tekstslide

Bezittelijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord: duidt het bezit aan van iemand. Het staat altijd vóór een zelfstandig naamwoord!

- Het is mijn bal.
- Dat is haar trui.
- Dit is jouw pen.

Slide 6 - Tekstslide

'Die gekke bril is van mij.'

'mij' is .....?
A
Een bezittelijk voornaamwoord
B
Een persoonlijk voornaamwoord

Slide 7 - Quizvraag

Wie haalt jullie op?

JULLIE is een...
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord

Slide 8 - Quizvraag

JOUW telefoon ligt nog aan de lader.

JOUW is een...
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord

Slide 9 - Quizvraag

Noem het persoonlijk voornaamwoord:

Wat vond je van mijn doelpunt, Menno?
A
je
B
mijn
C
doelpunt
D
Menno

Slide 10 - Quizvraag

Noem het bezittelijk voornaamwoord:

Wat vond je van mijn doelpunt, Menno?
A
je
B
Menno
C
doelpunt
D
mijn

Slide 11 - Quizvraag

Telwoord
  • Een telwoord geeft een hoeveelheid of rangorde (=volgorde) aan.
  • Er zijn dan ook twee soorten telwoorden:
  1. Hoofdtelwoord (htw) => hoeveelheid: drie, twee, veel, weinig, honderdveertig, tweehonderdvijftig.
  2. Rangtelwoord (rtw) => volgorde/rangorde: eerste, laatste, vierde, middelste, honderste

Slide 12 - Tekstslide

Wat geeft een hoofdtelwoord aan?
A
Hoeveelheid
B
Niks
C
Volgorde
D
Rang

Slide 13 - Quizvraag

Een rangtelwoord noemt een
A
aantal/hoeveelheid
B
volgorde/plaats in rij

Slide 14 - Quizvraag

Maken opdracht 3,4,5 en 6 vanaf blz 68
Klaar: Verder in je leesboek

Slide 15 - Tekstslide

Deze les:

- Nakijken het huiswerk : opdr 3 t/m 6 vanaf blz 68
- Maken Test jezelf 3.7
- Tijd over: Lezen

Slide 16 - Tekstslide

Wat is geen rangtelwoord?
A
vierde
B
eerste
C
negentien
D
laatste

Slide 17 - Quizvraag

"Twee derde" is een rangtelwoord
A
Juist
B
Onjuist

Slide 18 - Quizvraag

Wat is een voorbeeld van een rangtelwoord?
A
duizend
B
1
C
10
D
vijfde

Slide 19 - Quizvraag

iedereen
eerste
boterhammen
Telwoord
Geen telwoord

Slide 20 - Sleepvraag

Geen telwoord
Hoofdtelwoord
Rangtelwoord
eerste
honderd
rekenen
tellen
weinig
veel
vertellen
een paar
laatste

Slide 21 - Sleepvraag

Duid alle telwoorden aan. Let op: het eerste bolletje is voor het eerste telwoord, het tweede bolletje voor het tweede telwoord, enz.

Slide 22 - Sleepvraag

Nederlands
En nu alle woordsoorten die je kent. Doe je best!

Slide 23 - Tekstslide

Kijk naar de volgende zin. Sleep de woorden naar de juiste woordsoort. Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken en niet alle woordsoorten 
hoef je te gebruiken.
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
hulp- werkwoord
Voorzetsel
persoonlijk vnw
bezittelijk vnw
hoofd- telwoord
zelfstandig werkwoord
rangtelwoord
Hij
heeft
voor
zijn
verjaardagsgeld
een
nieuwe
fiets
gekocht.
rode
met
drie
bellen

Slide 24 - Sleepvraag

Kijk naar de volgende zin. Sleep de woorden naar de juiste woordsoort. Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken en niet alle woordsoorten 
hoef je te gebruiken.
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
hulp- werkwoord
Voorzetsel
persoonlijk vnw
bezittelijk vnw
hoofd- telwoord
zelfstandig werkwoord
rangtelwoord
Op
het
laatste
moment
besloot
hij
sterkere
snelbinders
te kopen.

Slide 25 - Sleepvraag

Deze les

- Samen artikel nakijken
- Zelfstandig blauwe theoriestuk op blz 78 bestuderen
- Maken opdracht 2, 5, 6, van opdracht 7 a en b
- Klaar: Lezen

Slide 26 - Tekstslide