04042025 2.3 LLK - Beschouwende en betogende teksten

Herhaling
Informatieve tekst
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 35 min

Onderdelen in deze les

Herhaling
Informatieve tekst

Slide 1 - Tekstslide

Betoog
 Beschouwing

Slide 2 - Tekstslide

Welkom bij Nederlands

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Link

Herhaling
Instructieve tekst:
* Opsommend
* Vaste volgorde
* signaalwoorden

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide


Grappig?
A
Ja
B
Beetje
C
Nee
D
Hi-la-risch

Slide 7 - Quizvraag

LEZEN, LUISTEREN, KIJKEN
HOOFDSTUK 2



2.3
BESCHOUWENDE EN BETOGENDE TEKSTEN

Slide 8 - Tekstslide

LEZEN, LUISTEREN KIJKEN 
2.3 Beschouwende en betogende teksten

Planning: 
  • Korte terugblik 2.1 en 2.2
  • Behandelen theorie 2.3 Beschouwende en betogende teksten

  • Online opdracht 1 t/m 4 maken

Slide 9 - Tekstslide


DOEL

AAN HET EINDE VAN DE LES KUN JE DE INHOUD VAN BESCHOUWENDE EN BETOGENDE TEKSTEN OP WAARDE SCHATTEN.

Slide 10 - Tekstslide

KORTE TERUGBLIK

Slide 11 - Tekstslide

Theorie
Een instructie heeft vaak de volgende kenmerken:
  • in de inleiding wordt het onderwerp van de instructie genoemd
  • de instructie bestaat uit een aantal aanwijzingen
  • de aanwijzingen zijn concrete stappen die je vaak in een vaste volgorde moet uitvoeren
Let ook op:
Signaalwoorden, geven de volgorde aan hoe de instructie uitgevoerd moet worden.
Werkwoorden geven aan wat je precies moet doen. 
In de praktijk kun je uitleg krijgen aan de hand van een demonstratie.
Theorie

Slide 12 - Tekstslide

TWEE VRAGEN

Slide 13 - Tekstslide

Beknopt samenvatten van een instructie of demonstratie doe je zo:
A
Schrijf een inleiding, middenstuk en slot en sluit af met een handtekening
B
Noteer de mening en de verschillende argumenten
C
Noteer onderwerp en doel en de verschillende stappen in de instructie
D
Beoordeel of alle kanten aan bod zijn gekomen en of de informatie actueel en betrouwbaar is

Slide 14 - Quizvraag


Bij een instructie krijg je uitleg hoe je iets moet doen. In de praktijk krijg je vaak uitleg aan de hand van een demonstratie.
A
WAAR
B
NIET WAAR

Slide 15 - Quizvraag

THEORIE 2.3

Slide 16 - Tekstslide

Theorie
Standpunten worden vaak ingeleid met zinnetjes als:
  • ik vind…
  • volgens mij…
  • ik denk dat…
  • het is mijn overtuiging…
  • mijn conclusie is…
In een betoog, debat of discussie is er iemand die met gebruik van argumenten anderen probeert te overtuigen van zijn standpunt.

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Betekenis
betekend over het woord opiniëren?
* Je mening geven
* Beïnvloeden van de mening van anderen

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Video

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Link

Slide 23 - Tekstslide

Theorie
Verkeerde vergelijking: er worden twee dingen met elkaar vergeleken die niet te vergelijken zijn.
  •  Voorbeeld: op de havo heb je ook geen lange stage, dus die stage van een halfjaar op het mbo hoeft ook niet. 

Persoonlijke aanval: de persoon wordt aangevallen, niet zijn standpunt of argument.

  • Voorbeeld: die achterlijke werkgevers profiteren alleen maar van hun stagiaires.

Drogredenen: Dit zijn onjuiste argumenten of redeneringen. 
Voorbeelden zijn verkeerde vergelijking of persoonlijke aanval.

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Video

VOORBEELD

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

ACHT VRAGEN

Slide 28 - Tekstslide

Nomofobie is stress of angst die veroorzaakt wordt doordat men gedurende enige tijd geen mobiele telefoon tot zijn beschikking heeft.
A
feit
B
mening
C
argument
D
x

Slide 29 - Quizvraag


Het is fijn om je telefoon vergeten te zijn.
A
feit
B
mening
C
argument
D
x

Slide 30 - Quizvraag


Dan heb je de hele dag rust.
A
feit
B
mening
C
argument
D
x

Slide 31 - Quizvraag

Het argument:
"Dan heb je de hele dag rust."
is een:
A
Objectief argument
B
Subjectief argument

Slide 32 - Quizvraag

Welke drogreden is hier van toepassing?
"Daar weet jij niets van, daar ben je veel te oud voor!"

A
Generalisatie
B
Onjuist beroep op autoriteit
C
Persoonlijke aanval
D
Verkeerde vergelijking

Slide 33 - Quizvraag

Welke onderdelen zie je (vaak) in een betoog:
A
Informeren, instrueren, overhalen, overtuigen
B
Argument, beschouwing, instructie, generalisatie, conclusie
C
Standpunt, argument, tegenargument, weerlegging, conclusie
D
Twee standpunten, twee conclusies en een slot

Slide 34 - Quizvraag

WAAR OF NIET WAAR:

Het doel van een beschouwing is anderen aan het denken zetten over een bepaalde kwestie.
A
WAAR
B
NIET WAAR

Slide 35 - Quizvraag


Kunnen in een beschouwing meningen staan?
A
NEE
B
JA
C
Ik weet het even niet

Slide 36 - Quizvraag

Slide 37 - Link

OEFENEN
KLASSIKAAL

Slide 38 - Tekstslide

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Tekstslide

''Wie ongezond leeft, moet meer betalen voor zijn ziektekostenverzekering.''
Wat vind jij?
EENS
ONEENS

Slide 41 - Poll

Wat te doen:



Volgende les:
Toets
Lezen, luisteren, kijken
Denk aan oortjes/laptop!!
Lezen, luisteren, kijken 2.3
Online opdracht 1 t/m 4 maken 

Slide 42 - Tekstslide

DEEL 2

Slide 43 - Tekstslide

Slide 44 - Link