5.2 Investeren en financieren

5. Een eigen bedrijf
5.2 Investeren en financieren
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

5. Een eigen bedrijf
5.2 Investeren en financieren

Slide 1 - Tekstslide

5.2 Investeren en financieren
  • Ik kan het nut van een investeringsbegroting uitleggen.
  • Ik kan een investeringsbegroting opstellen.
  • Ik kan het nut van een financieringsbegroting uitleggen.
  • Ik kan een financieringsbegroting opstellen.
  • Ik kan het nut van een balans uitleggen.
  • Ik kan een balans opstellen.

Slide 2 - Tekstslide

5.2 Investeren en financieren
Investeringsbegroting
Voordat je kunt verkopen, moet je eerst inkopen:
  • Voorraad (bv. grondstoffen, onderdelen)
  • Bedrijfsmiddelen (bv. winkel, computer). Bedrijfsmiddelen aanschaffen noem je investeren.
  • Opstartkosten
Hoeveel je nodig hebt, zet je in een investeringsbegroting
Het totale bedrag dat je hiervoor beschikbaar hebt is je investeringsbudget.


Slide 3 - Tekstslide

Een investeringsbegroting stel je alleen op als je voor jezelf begint.
A
juist
B
fout

Slide 4 - Quizvraag

Een investeringsbegroting stel je alleen op als je voor jezelf begint.
A
juist
B
fout

Slide 5 - Quizvraag

Op een investeringsbegroting zet je ook hoe je aan het geld gaat komen om alles te betalen.
A
juist
B
fout

Slide 6 - Quizvraag

Je internetabonnement zet je ook op een investeringsbegroting.
A
juist
B
fout

Slide 7 - Quizvraag

Een dienstverlener heeft vaak een lager totaalbedrag nodig om te kunnen starten dan een producent van goederen.
A
juist
B
fout

Slide 8 - Quizvraag

Introductie bedrijfseconomie
Oefeningen: Investeringsbegroting
  • Maak de oefeningen zelfstandig.
  • Wissel je antwoorden uit met je buurman.
  • We bespreken samen de antwoorden.
timer
5:00

Slide 9 - Tekstslide

Bespreken oefeningen

Slide 10 - Tekstslide

5.2 Investeren en financieren
  • Ik kan het nut van een financieringsbegroting uitleggen.
  • Ik kan een financieringsbegroting opstellen.

Slide 11 - Tekstslide

Hoe kom je aan geld
voor je eigen bedrijf?

Slide 12 - Woordweb

5.2 Investeren en financieren
Financieringsbegroting
Overzicht waarin staat hoe de uitgaven op de investeringsbegroting worden betaald.
  • Spaargeld
  • Geld lenen bij familie of bank
  • Investeerder: wordt mede-eigenaar van het bedrijf.
  • Crowdfunding: een groep mensen dat geld investeert in een project of bedrijf.



Slide 13 - Tekstslide

5.2 Investeren en financieren
Oefeningen: Financieringsbegroting
  • Maak de oefeningen zelfstandig.
  • Wissel je antwoorden uit met je buurman.
  • We bespreken samen de antwoorden.
timer
10:00

Slide 14 - Tekstslide

Bespreken oefeningen

Slide 15 - Tekstslide

5.2 Investeren en financieren
  • Ik kan het nut van een balans uitleggen.
  • Ik kan een balans opstellen.

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

5.2 Investeren en financieren
Balans
Een balans is een overzicht van al je bezittingen en vermogen. Een balans is altijd in evenwicht. 

Activa (bezittingen)
  • Vaste activa: bezittingen die langer dan een jaar mee gaan.
  • Vlottende activa: bezittingen die korter dan een jaar mee gaan.
  • Liquide activa: betaalmiddelen

Slide 18 - Tekstslide

5.2 Investeren en financieren
Balans
Een balans is een overzicht van al je bezittingen en vermogen. Een balans is altijd in evenwicht.

Passiva (vermogen)
  • Eigen vermogen: bedrag dat je zelf in bedrijf gestoken hebt. Bij winst stijgt eigen vermogen.
  • Vreemd vermogen: schulden van het bedrijf.


Slide 19 - Tekstslide

Combineer de balanspost met de juiste categorie.
Lang vreemd vermogen
Vlottende activa
Kort vreemd vermogen
Vaste activa
Liquide middelen
Kas
Bank (negatief saldo)
Voorraad
Hypothecaire lening
Inventaris

Slide 20 - Sleepvraag

De linker- en de rechterkant van de balans zijn altijd in evenwicht.
A
juist
B
onjuist

Slide 21 - Quizvraag

De waarde van Poké Bowl take-away is € 90.280.
A
juist
B
onjuist

Slide 22 - Quizvraag

Het eigen vermogen van Poké Bowl take-away stijgt als het bedrijf winst maakt.
A
juist
B
onjuist

Slide 23 - Quizvraag

Als Poké Bowl take-away een deel van de banklening aflost, dalen de liquide activa en het vreemde vermogen allebei.
A
juist
B
onjuist

Slide 24 - Quizvraag

Eigen vermogen = vaste activa + vlottende activa + liquide activa - vreemd vermogen
A
juist
B
onjuist

Slide 25 - Quizvraag

Een onderneming is voor 36% gefinancierd met leningen. Het eigen vermogen bedraagt € 210.000. Bereken het totale vermogen.

Slide 26 - Open vraag

5.2 Investeren en financieren
Oefeningen: Balans
  • Maak de oefeningen zelfstandig.
  • Wissel je antwoorden uit met je buurman.
  • We bespreken samen de antwoorden.
timer
5:00

Slide 27 - Tekstslide

Bespreken oefeningen

Slide 28 - Tekstslide

Een bedrijf schaft een nieuwe bedrijfsauto aan en betaalt dit via de bank.

Wat is het effect op de vaste activa?
A
stijgen
B
dalen

Slide 29 - Quizvraag

Een bedrijf schaft een nieuwe bedrijfsauto aan en betaalt dit via de bank.

Wat is het effect op de liquide activa?
A
stijgen
B
dalen

Slide 30 - Quizvraag

Een bedrijf sluit een lening af.

Wat is het effect op de liquide activa?
A
stijgen
B
dalen

Slide 31 - Quizvraag

Een bedrijf sluit een lening af.

Wat is het effect op vreemd vermogen?
A
stijgen
B
dalen

Slide 32 - Quizvraag

Een bedrijf heeft voor € 2.000 aan goederen met winst verkocht.

Wat is het effect op vlottende activa?
A
stijgen
B
dalen

Slide 33 - Quizvraag

Een bedrijf heeft voor € 2.000 aan goederen met winst verkocht.

Wat is het effect op liquide activa?
A
stijgen
B
dalen

Slide 34 - Quizvraag

Een bedrijf heeft voor € 2.000 aan goederen met winst verkocht.

Wat is het effect op het eigen vermogen?
A
stijgt
B
daalt

Slide 35 - Quizvraag

5.2 Investeren en financieren

  • Ik kan het nut van een investeringsbegroting uitleggen.
  • Ik kan een investeringsbegroting opstellen.
  • Ik kan het nut van een financieringsbegroting uitleggen.
  • Ik kan een financieringsbegroting opstellen.
  • Ik kan het nut van een balans uitleggen.
  • Ik kan een balans opstellen.

Slide 36 - Tekstslide