Chapitre 5 - (H) vragen maken

Planning du jour
Focusleren
Vragen maken
Au travail
Français en classe
Startopdracht 
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Planning du jour
Focusleren
Vragen maken
Au travail
Français en classe
Startopdracht 

Slide 1 - Tekstslide

Startopdracht
11c (page 18) Traduis les mots (vertaal de woorden).
1. la tête      2. la main      3. la bouche       4. la gorge      5. la jambe
6. les yeux 
7. le nez      8.le bras        9.le ventre       10.le genou     11.le pied
12. l'oreille 

Klaar? Leren Quizlet lijst "zeggen dat je ergens pijnt hebt + lichaamsdelen"

timer
8:00

Slide 2 - Tekstslide

Terugblik
11c (page 18) Traduis les mots (vertaal de woorden).
1. het hoofd     2. de hand      3. de mond       4. de keel      5. het been
6. de ogen 
7. de neus      8.de arm        9.de buik       10.de knie     11.de voet
12. het oor



Slide 3 - Tekstslide

Terugblik
De ontkenning in het Frans
A. Zet in de goede volgorde. 
1. pas - de boulangerie - il y a - ne - ici.
2. malade - ne - pas encore - mon petit frère - est. 

B. Maak de zin ontkennend. Gebruik de ontkenning wat tussenhaakjes staat. 
3. Je fais mes devoirs en retard. (nooit) 
4. Il y a besoin d'acheter les légumes. (niet) 

timer
8:00

Slide 4 - Tekstslide

Terugblik
De ontkenning in het Frans
1. Il n'y a pas de boulangerie ici. 
2. Mon petit-frère n'est pas encore malade. 

3. Je ne fais jamais mes devoirs en retard. 
4. Il n'y a pas besoin d'acheter les légumes. 

Slide 5 - Tekstslide

Français en classe
la gorge
le dos
le genou
le pied
une pastèque
une framboise
timer
0:03
une fraise
une pomme
?
?
?
?

Slide 6 - Tekstslide

Vragen stellen in het Frans

Slide 7 - Woordweb

Slide 8 - Tekstslide

Maak deze zin op 3 manieren vragen:

" Tu es en quatrième. "
timer
2:00

Slide 9 - Open vraag

Check je boek.

Zijn er nog meer manieren om een vraag te stellen in het Frans? (Laat voorbeelden zien)

Slide 10 - Open vraag

Slide 11 - Tekstslide

Zet in de goede zinsvolgorde.

la télé / vous / est-ce que / regardez / ?
timer
1:00

Slide 12 - Open vraag

Zet in de goede zinsvolgorde.

pourquoi / il / le sport / aime / est-ce que / ?
timer
1:00

Slide 13 - Open vraag

Au travail
Page: 36-37       30a (samen)
30d - zet de woorden in de goede zinsvolgorde.
31a - vertaal de onderstreepte woorden. 
31c - maak de dialoog af met het juiste vraagwoord. Er blijft 1 over.
31d- Stel een vraag zoals in het voorbeeld. Gebruik est-ce que / est-ce qu'

33a + b - Je gaat een sportief iemand interviewen. Bereid 6 vragen voor (klaar? interview je buurman)

Klaar? Quizlet. Boek op tafel houden ivm nabespreking. 

timer
7:00

Slide 14 - Tekstslide

Au travail
Page: 36-37       30a (samen)
 

Slide 15 - Tekstslide