Grammatica haben sein werden zwakke ww modale ww

Week 24
Werkwoorden
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Week 24
Werkwoorden

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoelen
> Ik weet wat ik kan doen om de voor te bereiden op de toets in de toetsweek.
> Ik kan de werkwoorden actief toepassen.

Slide 2 - Tekstslide

Ik heb al goed geleerd voor de toets van Duits
Ja
Nee

Slide 3 - Poll

Schrijf zo concreet mogelijk op wat je moet kennen + kunnen voor de toets.

Slide 4 - Open vraag

De stof
- Een leestekst waar je niet voor kunt leren, maar wel voor kunt oefenen.
- Werkwoorden:
> haben / sein / werden
> zwakke werkwoorden in de t.t.
> modale werkwoorden

Slide 5 - Tekstslide

Haben, sein en werden
Je krijgt nu zinnen over de bovenstaande werkwoorden. 
Je mag hierbij je werkboek/rijtjes op internet gebruiken.
Het beste is om het uit je hoofd te proberen.

Slide 6 - Tekstslide

________ Sie hier neu?

Slide 7 - Open vraag

Das _____ doch keinen Sinn!

Slide 8 - Open vraag

______ du eine Idee?

Slide 9 - Open vraag

Het werkwoord "werden" heeft 2 betekenissen in het Nederlands. Welke twee?

Slide 10 - Open vraag

Vertaal het volgende naar het Duits:
Ik zal / ik word

Slide 11 - Open vraag

Du ______ hier nicht teilnehmen (deelnemen).

Slide 12 - Open vraag

Ich ____ damit nicht einverstanden!

Slide 13 - Open vraag

Zwakke werkwoorden in de tegenwoordige tijd
Je krijgt zinnen over de bovenstaande werkwoorden.
Je mag hierbij je werkboek/rijtjes op internet gebruiken.
Het beste is om het uit je hoofd te proberen.

Slide 14 - Tekstslide

Allereerst: welke regel pas je toe bij de zwakke werkwoorden? En welke uitzonderingen zijn er op deze regel?

Slide 15 - Open vraag

(wohnen) Ich _____ in Appingedam.

Slide 16 - Open vraag

(wohnen) Wo ________ du?

Slide 17 - Open vraag

(schwimmen) _______ Sie gerne?

Slide 18 - Open vraag

(streicheln) Warum ______ deine Schwester das Pony nicht?

Slide 19 - Open vraag

(reisen) ______ du gerne?

Slide 20 - Open vraag

De modale werkwoorden (blz. 78 werkboek)
Dit zijn de werkwoorden van Kapitel 8: Over het algemeen vonden jullie deze werkwoorden lastig.
Je krijgt nu weer zinnen waarbij je moet vervoegen. Snap je iets niet? Vraag het dan direct!

Slide 21 - Tekstslide

(dürfen) _____ ich das Kleid anprobieren?

Slide 22 - Open vraag

(können) _____ Sie meine Brille reparieren?

Slide 23 - Open vraag

(wissen) Er _____ schon, dass sein T-Shirt ein Loch hat.

Slide 24 - Open vraag

(müssen) Du ____ deine Haare schneiden lassen.

Slide 25 - Open vraag

Vertalen + vervoegen: willen
Saskia ______ Locken (krullen) haben.

Slide 26 - Open vraag

Vertalen + vervoegen: leuk vinden
Meine Mutter ____ Ohrringe.

Slide 27 - Open vraag

Vertalen + vervoegen: lusten
Ich _____ keinen Orangensaft.

Slide 28 - Open vraag

Vertalen + vervoegen: willen
Wir ______ drei T-Shirts kaufen.

Slide 29 - Open vraag

Vertalen + vervoegen: moeten
Papa hat gesagt, wir ____ Oma öfter besuchen.

Slide 30 - Open vraag

Ik vind ______ het lastigst.
Haben
zwakke werkwoorden
modale werkwoorden
Ik snap/kan alle drie onderdelen

Slide 31 - Poll

Schrijf op waarom je dat het lastigst vindt.

Slide 32 - Open vraag

Vragen?
Heb je nog vragen? Steek je hand op!

Slide 33 - Tekstslide