Wat is LessonUp
Zoeken
Kanalen
Inloggen
Registreren
‹
Terug naar zoeken
Taal: Thema 6 herhaling week 1-3
Taal Groep 6
herhaling: week 1
1 / 30
volgende
Slide 1:
Tekstslide
Taal
Basisschool
Groep 6
In deze les zitten
30 slides
, met
interactieve quizzen
en
tekstslides
.
Start les
Bewaar
Deel
Printen
Onderdelen in deze les
Taal Groep 6
herhaling: week 1
Slide 1 - Tekstslide
1. We beginnen deze les met:
de persoonsvorm
test
Weet je nog hoe je de persoonsvorm kunt vinden?
(er zijn meerdere manieren om de pv te vinden,
maar de meest gebruikte manier is...
klik hier voor het antwoord:
Slide 2 - Tekstslide
Wat is de persoonsvorm (pv) in de volgende zin:
Het kind werkt thuis op LessonUp.
A
Het kind
B
werkt
C
thuis
D
op LessonUp
Slide 3 - Quizvraag
Wat is de pv in de volgende zin:
Op school wordt er nu vergaderd.
A
Op school
B
wordt
C
nu
D
vergaderd
Slide 4 - Quizvraag
2. We gaan nu verder met:
het onderwerp
test
Het onderwerp kun je vinden door te vragen:
Voorbeeld:
De kinderen werken hard.
Vraag:
Wie/wat werken (hard)?
Onderwerp=
De kinderen
Slide 5 - Tekstslide
Wat is het onderwerp in deze zin:
Het meisje zit nu aan haar bureau.
A
Het meisje
B
zit
C
nu
D
aan haar bureau
Slide 6 - Quizvraag
Wat is het onderwerp in deze zin:
Gaat de jongen vandaag naar school?
A
Gaat
B
de jongen
C
vandaag
D
naar school
Slide 7 - Quizvraag
3. We gaan nu verder met:
een enkelvoudige zin
test
Een enkelvoudige zin heeft 1 .... en 1...
Weet jij het antwoord?
Controleer hier je antwoord:
Slide 8 - Tekstslide
Klik op de 3
enkelvoudige zinnen.
A
Ik loop naar huis.
B
Mijn moeder is lief.
C
Ik viel, maar ik had geen pijn.
D
Papa laat een windje.
Slide 9 - Quizvraag
E
en samengestelde zin.
te
Een samengestelde zin bestaat uit twee enkelvoudige zinnen en heeft dus 2 ... en 2...
Weet jij het antwoord op deze vraag?
Controleer hier je antwoord
Slide 10 - Tekstslide
De twee zinnen in een samengestelde zin worden meestal verbonden met...
A
een werkwoord
B
een lidwoord
C
een voegwoord
D
een zelfstandig naamwoord
Slide 11 - Quizvraag
Hieronder staan 3 voegwoorden.
Kun jij de 3 voegwoorden vinden?
A
maar
B
want
C
omdat
D
denken
Slide 12 - Quizvraag
Wat is de samengestelde zin?
A
Totdat de uitslag bekend is, kijken we televisie..
B
Gisteren ging ik naar de kermis in het centrum.
C
Ik het fietsenhok staan veel kapotte fietsen.
D
Hebben alle kinderen het verkeersexamen gehaald?
Slide 13 - Quizvraag
Welke zin is een samengestelde zin?
A
We gaan iets leuks doen volgende week.
B
Gisteren hebben we op de schaatsbaan geschaatst.
C
Zal ik mijn muts op mijn hoofd zetten?
D
Ik doe handschoenen aan, want het is koud.
Slide 14 - Quizvraag
Wat is de samengestelde zin?
A
Vanuit mijn slaapkamerraam zie ik de maan.
B
Op de tafel staan twee borden met soep.
C
Zij willen het spel graag winnen.
D
De veerpont vaart niet, omdat het stormt.
Slide 15 - Quizvraag
Hoe zat het ook alweer?
De persoonsvorm met t, d, dt of niks?
Wie weet het nog?
Slide 16 - Tekstslide
Wat is de stam van worden?
A
wordt
B
worden
C
word
Slide 17 - Quizvraag
De stam van branden is...
A
brandt
B
brant
C
brand
D
brandd
Slide 18 - Quizvraag
Wat is de stam?
A
Het hele werkwoord
B
Het voltooid deelwoord
C
De jij-vorm
D
De ik-vorm
Slide 19 - Quizvraag
Waar is de persoonsvorm goed?
Het ..............al de hele dag. (branden)
A
brand
B
brandt
C
brant
D
brande
Slide 20 - Quizvraag
Waar is de persoonsvorm goed?
Marc .............altijd gewoon met 'dag oma'. (antwoorden)
A
antwoordt
B
antwoord
C
antwoorde
D
antwoort
Slide 21 - Quizvraag
Waar is de persoonsvorm goed?
.................je dat een goed idee? (vinden)
A
vindt
B
vind
C
vinde
D
vint
Slide 22 - Quizvraag
Aanhalingstekens
Wat zijn aanhalingstekens en wanneer gebruik je ze?
Aanhalingstekens zijn leestekens.
Je gebruikt aanhalingstekens als je precies opschrijft wat iemand zegt.
'Dat had je niet moeten doen!'
Slide 23 - Tekstslide
Waar staan de aanhalingstekens goed?
A
Het sneeuwt heel hard! 'zei de juf.'
B
'Het sneeuwt heel hard!' zei de juf.
C
'Het sneeuwt" heel hard! zei de juf.'
Slide 24 - Quizvraag
Bij welke zin zijn de
aanhalingstekens goed?
A
'De bakker zegt Zo, dat was het voor vandaag.'
B
'De bakker zegt': Zo, dat was het voor vandaag.
C
De bakker zegt: 'Zo, dat was het voor vandaag.'
D
De bakker zegt Zo, dat was het voor vandaag.
Slide 25 - Quizvraag
Aanhalingstekens.
Waar zijn ze goed gebruikt?
A
Amina vroeg: "Wanneer gaan we naar de dierentuin?"
B
"Amina vroeg: Wanneer gaan we naar de dierentuin?
C
Amina vroeg: Wanneer gaan we naar'de dierentuin"?
Slide 26 - Quizvraag
Waar staan de aanhalingstekens in het citaat goed?
A
Ik zei: 'Ik heb geen zin.'
B
Ik: "zei Ik heb geen zin.'
C
'Ik zei': Ik heb geen zin.
Slide 27 - Quizvraag
In welke zin staan de aanhalingstekens op de goede plek?
A
De vader van Ilse zei: 'Dat is onzin'
B
De vader van Ilse zei: Dat is onzin
C
'De vader van Ilse zei: Dat is onzin'
D
De vader van 'Ilse zei: dat is onzin'
Slide 28 - Quizvraag
In welke zin staan de aanhalingstekens op de goede plek?
A
'Goedemorgen buurman, zei' meneer De Vries.
B
'Goedemorgen' buurman, zei meneer De Vries.
C
'Goedemorgen buurman, zei meneer De Vries.'
D
'Goedemorgen buurman', zei meneer De Vries.
Slide 29 - Quizvraag
Klaar
Slide 30 - Tekstslide
Meer lessen zoals deze
Taal: Thema 6 herhaling week 1-3
May 2023
- Les met
36 slides
Taal
Basisschool
Groep 6
13/11 spelling woordvolgorde in samengestelde zinnen
November 2024
- Les met
46 slides
Nederlands
Middelbare school
mavo, havo
Leerjaar 2
§ 11 pv in samengestelde zin
October 2024
- Les met
16 slides
Nederlands
Middelbare school
havo, vwo
Leerjaar 1
Spelling persoonsvorm in de tt
June 2019
- Les met
36 slides
Steunles spelling
Middelbare school
vmbo lwoo
Leerjaar 1
Taalverzorging
October 2022
- Les met
18 slides
Nederlands
Middelbare school
mavo
Leerjaar 2
PV en VD in samengestelde zinnen
5 days ago
- Les met
35 slides
Nederlands
Middelbare school
vmbo k, g, t, mavo
Leerjaar 2
5. Thema 6 herhaling
April 2024
- Les met
31 slides
Taal
Basisschool
Groep 5,6
M2 Taalverzorging
September 2023
- Les met
18 slides
Nederlands
Middelbare school
mavo
Leerjaar 2