Present simple recap

Present Simple
Wat weet je nog over de Present Simple?
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 1

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Present Simple
Wat weet je nog over de Present Simple?

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple 
  • Wat is de Present Simple?

  • Wanneer gebruik je de Present Simple?

  • Hoe maak je de Present Simple? 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe maak je de Present Simple? 
I work
Do I work?
I don't work
You work
Do you work?
You don't work
He/She/It works
Does he/she/it work?
He/She/It doesn't work
We work
Do we work?
We don't work
You work
Do you work?
You don't work
They work
Do they work?
They don't work
Zo maak je de Present Simple.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present simple is:
Wat is de present simple?
A
Verleden tijd
B
Tegenwoordig tijd
C
Toekomst

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple:
Wat is de regel van de present simple?
A
SHITY-regel
B
hele ww (bij I, you, we, they) hele ww + s (bij he, she, it)
C
Hele werkwoord
D
Werkwoord + -ed

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple:
welke zin is present simple?
A
I am walking to school.
B
They walked to school.
C
We have walked to school.
D
He always walks to school.

Slide 6 - Quizvraag

Present simple:
Rule Example
 Je gebruikt de tegenwoordige tijd (present simple)
als je het over het volgende hebt:
• feiten Water boils at 100 degrees.
• gewoontes I usually get up at 6.30.
• toekomst als je een rooster/tijdschema/programma hebt ;The train leaves at 7.30.
• levendig beschrijving/dramatisch effect;
In 1099 William conquers England
Altijd hele werkwoord behalve SHIT: +S
I walk -> He walks

Present Simple:
Kies een voorbeeld van de present simple.
A
He travels to work four times a week.
B
He travelled to work four times a week.
C
He is travelling to work.
D
He has travelled to work.

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple
welke zin is present simple?
A
Lucy lives in London.
B
Lucy lived in London.
C
Lucy is living in London.
D
Lucy has lived in London.

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple:
I usually ... (go) to school.

Slide 9 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple:
They .. (visit) us often.

Slide 10 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple:
Tom ... (work) every day.

Slide 11 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple:
She never ... (help) me with that!

Slide 12 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij :
he/she/it
komt er achter het werkwoord
- s
- es
- ies
Bij :
1 mens/ dier of ding komt er 
achter het werkwoord
- s
- es
- ies

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

search
A
searchs
B
searches
C
searchies

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

cry
A
cries
B
cry
C
crys
D
cryes

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

fix
A
fix
B
fixs
C
fixies
D
fixes

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

watch
A
watch
B
watches
C
watchies
D
watchs

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe maak je de Present Simple? 
I work
Do I work?
I don't work
You work
Do you work?
You don't work
He/She/It works
Does he/she/it work?
He/She/It doesn't work
We work
Do we work?
We don't work
You work
Do you work?
You don't work
They work
Do they work?
They don't work
Zo maak je de Present Simple.

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present simple - ontkennend
Rana ......... candy
A
don't eat
B
eat not
C
doesn't eat
D
eats not

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple - ontkennend
Tommy ......... bananas
A
don't eat
B
eat not
C
doesn't eat
D
eats not

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple - Ontkennend:

I _____ winter. (like/not)
A
doesn't like
B
don't like
C
like not

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

present simple - vragend:
_______ he live in London?
A
Do
B
Does

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

present simple - vragend:
________ you like pizza?

A
Do
B
Does

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

present simple - vragend:
_______ they like chocolate?
A
Do
B
Does

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

present simple - vragend:
_____ mr Brown travel by car?
A
Do
B
Does

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple: Maak de zin vragend
Jennifer likes to draw

Slide 26 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple, maak de zin vragend:
(?) We have a nice car.

Slide 27 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple: Maak de zin vragend
Katy likes to draw

Slide 28 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple ontkennend (-):
It starts in 10 minutes.

Slide 29 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple: Ontkennend
They eat carrots for lunch

Slide 30 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple: Ontkennend
Joey likes to eat cake

Slide 31 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies