In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.
Onderdelen in deze les
Creatief Schrijven:
verhaallijnen
Slide 1 - Tekstslide
Lesdoel + lesplanning
Lesdoel: Ik kan verschillende verhaallijnen herkennen
Programma:
1. 2 Verhalen vergelijken
2. Huiswerk vorige les nakijken.
2. Uitleg verhaallijnen
3. Opdrachten maken
4. Verder werken aan eigen verhaal + 1 verhaal voorlezen
Slide 2 - Tekstslide
chronologisch - niet-chronologisch
Een verhaal noem je chronologisch als de gebeurtenissen in een verhaal worden verteld in de volgorde waarin ze ook hebben plaatsgevonden.
Voorbeeld: Dagboek van Anne Frank
Een verhaal is niet-chronologisch als de schrijver midden in een verhaal begint. de lezer komt er pas langzaam achter wat er gebeurt is.
Voorbeeld: boeken van Mel Wallis de Vries
Slide 3 - Tekstslide
vertelde tijd - verteltijd
Vertelde tijd: de tijdsperiode van een verhaal (bijvoorbeeld: twee minuten - twee jaar).
Verteltijd: Elk verhaal heeft een bepaalde lengte: woorden, zinnen, bladzijden (150 woorden, 2 minuten leestijd).
Slide 4 - Tekstslide
Versnelling - vertraging
Een verhaal kan versneld worden door een sprong te maken in de tijd. Opeens gaat het verhaal na twee jaar verder (op de volgende bladzijde).
Een verhaal kan vertraagd worden door een bepaalde scene lang te laten voortduren gedurende het boek. Meestal worden de personages en de ruimte uitgebreid beschreven.
Slide 5 - Tekstslide
flash forward - flash back
flash forward: ook wel vooruitwijzing genoemd. De lezer krijgt een tip over wat er verderop in het verhaal gebeurt.
flashback: wanneer een personages terugkijkt in de tijd (terugblik). Dit kan uitgebreid zijn, maar ook in een paar regels gebeuren.
LET OP: in beide gevallen wordt de chronologie van het verhaal onderbroken.
Slide 6 - Tekstslide
Slide 7 - Video
In deze scene is gebruik gemaakt van
A
flash forward
B
versnelling
C
vertraging
D
flashback
Slide 8 - Quizvraag
‘Gisteren was Robin gegaan, vandaag zou zij vertrekken’.
Is hier sprake van:
A
flasback
B
versnelling
C
vertraging
D
flashforward
Slide 9 - Quizvraag
Ze zou ’s avonds weglopen. Ze hoefde alleen nog maar de rest van de dag door te komen.
Is hier sprake van:
A
flashback
B
versnelling
C
vertraging
D
flashforward
Slide 10 - Quizvraag
Het viel niet op dat Anna niet kwam ontbijten. In de avond zou ze weglopen. Om 12 uur klom ze uit haar bed, douchte lang en sloop naar beneden.
Hier is sprake van:
A
flashback
B
versnelling
C
vertraging
D
flashforwad
Slide 11 - Quizvraag
Oefening
Je gaat luisteren naar een voorleesfragment. Bedenk in welke tijd het verhaal zich afspeelt.
Slide 12 - Tekstslide
Slide 13 - Video
In welke tijd speelt dit verhaal zich af? Leg je antwoord uit.
Slide 14 - Open vraag
Oefening
Je gaat luisteren naar een voorleesfragment. Bepaal de volgorde. Is dit verhaal chronologisch of niet?
Slide 15 - Tekstslide
Slide 16 - Video
Wat was de volgorde van het verhaal?
A
Chronologisch
B
Niet chronologisch, want er zat een flashback in.
C
Niet chronologisch, want je weet al hoe het afloopt.
D
Je weet niet in welke volgorde het verhaal wordt verteld.
Slide 17 - Quizvraag
Perspectief
Je kunt een verhaal altijd vanuit verschillende gezichtspunten vertellen. Die gezichtspunten noemen we perspectieven. Vanuit welk perspectief een verhaal is geschreven is bepalend voor het verhaal.
Een olifant is als een speer.
Een olifant is als een slang.
Een olifant is als een touw.
Een olifant is als een boom.
Een olifant is als een lap leer.
Slide 18 - Tekstslide
Slide 19 - Tekstslide
Verhaallijnen
Een verhaallijn bestaat uit:
begin,
verloop
einde
Verhaallijn wordt soms als synoniem voor plot gebruikt.
Plot = een reeks gebeurtenissen in een verhaal (verhaallijnen).
Slide 20 - Tekstslide
Verhaallijnen
Een verhaallijn beschrijft wat een personage allemaal meemaakt.
Het verhaal heeft meerdere hoofdpersonen met elk een eigen perspectief.
Het verhaal speelt zich (vaak) af in verschillende tijden.
Het verhaal speelt zich (vaak) af op verschillende plaatsen.