1 vwo 27 januari 2025

Welkom!
Welkom vwo 1
1 / 37
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1,2

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 100 min

Items in this lesson

Welkom!
Welkom vwo 1

Slide 1 - Slide

Welkom bij Nederlands!
Telefoon thuis of in de kluis
Op tafel: leesboek + boek KERN, schrift, pen (of etui)

Kauwgum in de prullenbak

Slide 2 - Slide

Wat gaan we vandaag doen?


  •  Nakijken huiswerk 7,8 en 9 blz. 97.
  •  Aan de slag met D: voornaamwoorden. blz. 98.
  •  Voorleeswedstrijd.



Slide 3 - Slide

Bespreken huiswerk


opdracht 7, 8 en 9  op bladzijde 97 uit het werkboek.

Slide 4 - Slide

Huiswerk 7 t/m 9 blz. 97


7 a is: hww, gearresteerd: zww
b was: kww
ook mogelijk: was: hww, betrokken: zww
c lieten: hww, zien: zww
d was: kww
e had: hww, (in scène) gezet: zww
f was: hww, weggekomen: zww
g hebben: zww
h houdt (n de gaten): zww
i moest: hww, toegeven: zww
j is: kww
ook mogelijk: is: hww, gearresteerd: zww
k zal: hww, worden: kww

Slide 5 - Slide

Huiswerk 7 t/m 9 blz. 97


8 In zin b is lopen een infinitief en in zin a niet. Lopen is in zin b namelijk niet afhankelijk van
het onderwerp.
Toelichting: Als je het onderwerp omzet van enkelvoud naar meervoud of andersom, en
lopen verandert, dan is het geen infinitief maar een persoonsvorm. Dat is het geval bij zin a,
maar niet bij zin b.

Slide 6 - Slide

Huiswerk 7 t/m 9 blz. 97


9 Bijvoorbeeld: Een groot, wit smartboard overheerst het klaslokaal. Een scherm van zo’n vier
vierkante meter hangt aan de muur. De rechthoekige vorm ligt horizontaal. De kunststof rand blinkt in het zonlicht. Op het scherm is extra oefenmateriaal van KERN te zien.
Het probleem dat je tegenkomt is dat het lastig is om iets te beschrijven zonder koppelwerkwoorden, oftewel werkwoorden met een zijn-betekenis, te gebruiken.

Slide 7 - Slide

Aan de slag 


Maak opdracht 1 en 2 op bladzijde 98

Slide 8 - Slide

Theorie handboek 164-165 


Voornaamwoorden

Slide 9 - Slide

Woordsoorten

Slide 10 - Slide

voornaamwoorden
ezelsbruggetje
Vervangt of verwijst naar iets of iemand
(mensen = iemand) 
(dieren, planten, dingen, zaken)

Slide 11 - Slide


Soorten voornaamwoorden


  • Persoonlijk voornaamwoord: ‘Ben ik nou zo slim, of zijn jullie zo dom?’

  • Bezittelijk voornaamwoord: ‘Onze hond kan allerlei kunstjes.’

  • Wederkerend voornaamwoord: ‘Ik heb me niet gerealiseerd dat het al zo laat was.’

  • Aanwijzend voornaamwoord: ‘Ik wil die fiets met dat mandje.’


Slide 12 - Slide

Verschillende soorten voornaamwoorden



  • Betrekkelijk voornaamwoord: ‘Freya, die in groep 5 zit, leest al Harry Potter-boeken.’

  • Vragend voornaamwoord:Welke boeken zullen we meenemen?’

  • Onbepaald voornaamwoord:Iedereen kreeg een cadeautje.’

  • Wederkerig voornaamwoord: ‘We hebben elkaar net gemist.’

Slide 13 - Slide

Persoonlijk voornaamwoord

Een persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw.) duidt een persoon, dier of ding aan. 

VB. Zij verloren de wedstrijd. Pas op, hij bijt! Ik heb het op tafel gelegd.

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Bezittelijk voornaamwoord

Een bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw.) geeft aan van wie iets is, een bezit. Het staat altijd vóór het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort. 

VB: jullie tuin, ons feest, jouw beste vriend

Maar: de tuin is van jullie > in dit geval is 'jullie' een pers. vnw.

 

Slide 16 - Slide

Is 'mij' persoonlijk of bezittelijk:
Dat boek is van mij.
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord

Slide 17 - Quiz

Komen jullie ook naar de kampioenswedstrijd kijken?

'jullie' is een
A
bezittelijk vnw.
B
persoonlijk vnw.

Slide 18 - Quiz

Deze glutenvrije spaghetti is speciaal voor mij gemaakt.

'mij' is een
A
bezittelijk vnw.
B
persoonlijk vnw.

Slide 19 - Quiz

Wat is de juiste spelling?

A
Dat is toch jouw schrift?
B
Dat is toch jou schrift?

Slide 20 - Quiz

Een bezittelijk voornaamwoord ...
A
zegt iets over een werkwoord
B
geeft aan wie iets doet
C
geeft aan hoe iemand zich voelt
D
geeft aan van wie iets is

Slide 21 - Quiz

Aanwijzend voornaamwoord
Wijst iets aan (letterlijk!): 
deze, die, dit, dat, zo'n, zulke, dergelijke, dezelfde. (8)

Deze dag gaat heel leuk worden.
Die leerling heeft goed gescoord!

Staat meestal voor een znw, maar je kan het znw er ook achter denken: 
Deze hond luistert beter dan die (hond).

Slide 22 - Slide

Aanwijzend voornaamwoord
Deze en die      verwijzen naar de-woord of meervoud
Deze mensen zijn gelukkig - Deze  jongen is gelukkig.

Dit en dat          verwijzen naar het-woord, of iets onbepaalds
Het meisje dat daar staat is erg sterk.
Deze en dit      gebruik je bij dingen die dichtbij zijn.
Die en dat         gebruik je bij dingen die veraf zijn.

Slide 23 - Slide


Benoem het aanwijzende voornaamwoord.

Ik heb dit onderdeel altijd al makkelijk gevonden. 

Slide 24 - Open question

Betrekkelijk voornaamwoord
Heeft betrekking op het woord dat/een woordgroep of zin  /in de zin die er voor staat. (= antecedent). 

De stoel die vooraan staat [...]  (De stoel antecedent = een woord)

Ik krijg vandaag een cadeautje, wat ik erg fijn vind. 
(Ik krijg vandaag een cadeautje = antecedent = een woordgroep/zin   )  
Wat vind ik fijn? Dat ik vandaag een cadeautje krijg.


Slide 25 - Slide

Betrekkelijk voornaamwoord

Soms staat het antecedent niet in de zin, maar zit het ingesloten in het woord zelf: 

Wat je zegt , ben je zelf.

Slide 26 - Slide

Wederkerend voornaamwoord 
het onderwerp komt terug, keert weer

Bij het leren voor deze toets verveel ik me mateloos.

Casper herkende zichzelf in het krantenartikel over het 100-jarig bestaan van het Jan van Egmond Lyceum.



Slide 27 - Slide

Wederkerig voornaamwoord
Een wederkerig voornaamwoord wordt gebruikt als twee personen een wederzijdse handeling verrichten.
Elkaar, mekaar, elkander, mekander

Voorbeeldzinnen:
Loes en Ahmed groeten elkaar.
Wij hebben mekaar gister nog gezien.



Slide 28 - Slide

Wederkerig voornaamwoord
Soms wordt het wederkerig voornaamwoord 'elkaar' anders geschreven: elkander.
Voorbeeldzin: Zij zijn aan elkander gewaagd. 

Soms wordt het wederkerig voornaamwoord 'elkaar' anders geschreven: mekaar.
Voorbeeldzin: We moeten met mekaar samenwerken. 

Slide 29 - Slide

Even testen of je het nog weet.
Wij vragen ons steeds af wanneer de les voorbij is.

Wat is 'ons' in deze zin?
A
wederkerend voornaamwoord
B
wederkerig voornaamwoord

Slide 30 - Quiz

Hoeveel voornaamwoorden zitten er in de volgende zin:
Jullie moeten hem deze vraag stellen.
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 31 - Quiz


Benoem het aanwijzende voornaamwoord.
Aanwijzend voornaamwoord vind ik zo'n gemakkelijke woordsoort.  

Slide 32 - Open question


Benoem het aanwijzende voornaamwoord.

Deze vraag vind ik helemaal niet moeilijk. 

Slide 33 - Open question

Aan de slag
Maak opdracht 3 t/m 7  op bladzijde 98.

Klaar? Ga verder met opdracht 7 t/m 10.

Slide 34 - Slide

Voorleeswedstrijd


Neem de volgende keer een boek mee waaruit je wil voorlezen en oefen thuis alvast.
Iedereen leest 5 minuten voor. 
De beste twee leerlingen gaan door naar de schoolfinale.

Slide 35 - Slide

Einde les

Slide 36 - Slide

Wat voor gevoel heb je na deze les?
😒🙁😐🙂😃

Slide 37 - Poll