beeldspraak

1 / 16
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 16 slides, with text slides.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Beeldspraak: vergelijking, metafoor, personificatie

Vergelijkingen, metaforen en personifcaties zijn vormen van beeldspraak. Beeldspraak is altijd figuurlijk bedoeld.

Slide 8 - Slide

Vergelijking
In een vergelijking staan twee dingen naast elkaar die op elkaar lijken: het object (o) en het beeld (b). De verkoop van deze mobieltjes (o) loopt als een trein (b).
Tussen object en beeld is een overeenkomst: 'gaat heel snel'. Er staat een verbindingswoord tussen object en beeld als. 

Slide 9 - Slide

Andere verbindingswoorden zijn: 
- zo ... als, lijkt wel, is net, een ... van een ... 
Nog een paar voorbeelden van vergelijkingen:
- Stine (o) was door langdurige ziekte zo stijf als een plank (b).
- Je kamer (o) lijkt wel een slagveld (b).
- Wat een schat (b) van een kind (o) hebben jullie toch! 

Slide 10 - Slide

Metafoor
Bij een metafoor wordt het object weggelaten: het wordt vervangen door het beeld. Je moet zelf de betekenis achter het beeld (= het object) vaststellen: 
- Niemand wil vriendin zijn met zo'n heks (b). = heel onaardig meisje (o). 
- We staan op de drempel (b) van een nieuwe tijd. = aan het begin (o). 

Slide 11 - Slide

Let op!
Soms wordt bij een metafoor het 'object' wel genoemd, maar ook dan moet je zelf de betekenis (het echte object) bepalen:
- Je (o) bent een rund (b) als je met vuurwerk stunt. = een stommeling (o).

Slide 12 - Slide

Personificatie
Met een personificatie stel je een levenloos ding voor als levend persoon: Het schip danste op de golven. 
Het schip (danste) = personificatie.



Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Opdracht: Lees de zinnen hieronder en bepaal of het een pleonasme, tautologie, metafoor, vergelijking of personificatie is. Noteer je antwoord in je schrift.
1. De witte sneeuw bedekte de straten.
2. Hij was moe en uitgeput na de lange wedstrijd.
3. De maan glimlachte naar de eenzame wandelaar.
4. De scheidsrechter had moeite om de kemphanen uit elkaar te halen.
5. De oude eik stond als een bewaker aan de rand van het bos.
6. De ijzige wind sneed door zijn jas heen.
7. Hij sprong zo hoog als een kangoeroe.
8. De appel valt niet ver van de boom.
9. Hij was blij en verheugd over het goede nieuws.


Slide 15 - Slide

Antwoorden
1. Pleonasme (sneeuw is altijd wit)
2. Tautologie (moe en uitgeput betekenen hetzelfde)
3. Personificatie (de maan kan niet glimlachen)
4. Metafoor (kemphanen = ruziënde supporters)
5. Vergelijking ("als een bewaker" geeft een expliciete vergelijking)
6. Personificatie (de wind kan niet echt snijden)
7. Vergelijking ("zo hoog als een kangoeroe" is een expliciete vergelijking)
8. Metafoor (kinderen vertonen overeenkomst met hun ouders)
9. Tautologie (blij en verheugd betekenen hetzelfde)

Slide 16 - Slide