Vraagsoorten leesvaardigheid

Examentips: COMBINATIEVRAAG
Dingen met elkaar combineren
Dingen:
- tussenkopje bij juiste beschrijving
- omschrijving van product passend bij alinea
- karaktereigenschap koppelen aan persoon
Vaak blijft er en antwoord over
1 / 28
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo gLeerjaar 4

This lesson contains 28 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Examentips: COMBINATIEVRAAG
Dingen met elkaar combineren
Dingen:
- tussenkopje bij juiste beschrijving
- omschrijving van product passend bij alinea
- karaktereigenschap koppelen aan persoon
Vaak blijft er en antwoord over

Slide 1 - Slide

COMBINATIEVRAAG: Hoe ga je te werk?
  1. eerst oriënterend kijken
  2. dan globaal kijken --> tekst hoef je niet woord voor woord te lezen. 
  3. eerste en laatste zin van (elke/de) alinea lezen
  4. zorg dat je de tussenkopjes, of koppelende zinnen snapt!
  5. controleer je antwoord door van de tussenkop een vraag te maken (werkt niet bij alles)

Slide 2 - Slide

korte - antwoordvraag
  • Worden altijd in het Nederlands gesteld
  • Geen meerkeuze
  • Bijna altijd in het Nederlands beantwoorden (soms wordt er gevraagd paar woorden uit de tekst over te schrijven, dit wel in het Duits.)
  • Wordt vaak gevraagd naar alineanummer of aantal of je moet een woord of tekstgedeelte citeren zonder dit verder uit te leggen

Slide 3 - Slide

korte - antwoordvraag
In welke alinea wordt er gesproken over de voorwaarde?
op welke 2 organen kan chocolade volgens de tekst een positieve invloed hebben

Slide 4 - Slide

werkwijze
1. altijd eerst oriënteren --> titel, inleiding, plaatjes, tussenkopjes enz.
2. niet de hele tekst lezen --> er wordt gericht naar info gevraagd
3. zoek gedeelte op waar je denkt dat het antwoord staat (of zoek alinea op waarover vraag gesteld wordt)
4. lees nauwkeurig!! met woordenboek

Oefenen 2014 GT tijdvak 1 vraag 8, 24 bespreken

Slide 5 - Slide

Samenvattingsvraag
  • Vragen worden meestal in het Duits gesteld
  • Vraag komt gemiddeld 10x voor in het examen --> 25% van je puntentotaal
  • Er wordt op veel verschillende manieren naar een  samenvatting gevraagd
  • Je moet bij de verschillende samenvattingsvragen altijd hetzelfde doen




Slide 6 - Slide

Samenvattingsvraag
Was ist des Kern des 5. Absatzes?
Was macht der 1. Absatz deutlich?
Zeile 3 bis 5, was wird in diesen Zeilen beschrieben?
Welche Überschrift passt zum 5. Absatz?
Welche Aussage stimt mit dem 2. Absatz überein?

uit het hoofd leren, kost dan geen opzoektijd! Blz. 138

Slide 7 - Slide

stappenplan
  1. Altijd eerst oriënterend lezen
  2. Dan globaal lezen van de alinea --> grote lijnen eruit halen, belangrijke informatie eruit halen
  3. Belangrijke informatie in de eerste en/of laatste zinnen van de alinea
  4. Lees de belangrijkste informatie nauwkeurig
  5. Zorg dat je alle antwoordmogelijkheden begrijpt (gebruik een woordenboek)
  6. Komt er een woord in alle antwoordmogelijkheden voor? Zoek dit woord op in de tekst, lees daar de zinnen nauwkeurig omheen

Slide 8 - Slide

Functievraag
Functievraag vraagt naar het verband

Slide 9 - Slide

Voorbeeldvragen
1. Womit endet Absatz 5 ( Aufruf, Gegensatz, Witz)
2. Wie schließt Absatz 3 zu den vorhergehende Absatz an? (probleem - Lösung, Ursache-Folge)
3. Welche Funktion hat der 2. Absatz?

WEET DE FUNCTIEWOORDEN IN HET DUITS, HET KOST JE IEDERE KEER 3 MINUTEN MEER

Slide 10 - Slide

Stappenplan
1.  eerste en laatste zinnen lezen van de alinea's waarover het gaat.
2. bedenk het verband en hoe de zinnen op elkaar aansluiten
3. vertaal ALTIJD de antwoordmogelijkheden

zorg dat je de examenvragen en begrippen kent!!

Slide 11 - Slide

Gatenvraag
  • een woord of woordgroep uit de tekst weggelaten
  •  je moet kiezen uit 3 of vier mogelijkheden
  • weggelaten woorden zijn altijd uit de context af te leiden
  • logisch verband
  • zorg dat je de functie van signaalwoorden uit je hoofd kent!
  • 3 min per examenvraag, gem. kost 't 30 sec woordenboek opzoeken

Slide 12 - Slide

stappenplan
1. lees de vraag
2. lees de antwoordmogelijkheden
3. VERTAAL ALTIJD de antwoordmogelijkheden
4. Lees 2 á 3 zinnen voor het gat en 2 á 3 zinnen na het gat
5. Voorspel gaat het om iets negatiefs of positiefs

Slide 13 - Slide

Voorbeeldvragen
Was passt im Sinne des Textes in die Lücke in Absatz 4?
Welche Frage passt in die Lücke in Absatz 4?

Slide 14 - Slide

Theorie beweringsvraag
  • Vraag waarbij je bij een aantal stellingen/beweringen juist of onjuist moet aangeven.
  • Wordt vaak gesteld bij een kortere tekst 
  • Puntentelling is zwaar oneerlijk
  • Versterkende woorden zijn belangrijk

Slide 15 - Slide

beweringsvraag- versterkende woorden. Woorden zoals:
nur
immer
nie
alle
ganze
vor allem
jeder Tag, jede Woche, jedes Jahr

  • Belangrijk betekenis verschil
  • Het maakt de zin helemaal goed of helemaal fout.
  • Ze worden in gezet om een goed antwoord fout te maken
  • Een bewering met zo'n woord er in is eigenlijk altijd fout!

Slide 16 - Slide

Bewering logica
Alles in de bewering moet juist zijn:
Voorbeeld 1 Fred houdt van voetbal en Annika danst graag.
Voorbeeld 2 Op dinsdag gaat Fred naar training en op woensdag heeft hij rust.

Slide 17 - Slide

Let op
De hele bewering moet kloppen!
Jan gaat altijd op maandag met de auto naar zijn werk.

Jan gaat op maandag met de auto naar school en Anja met de fiets.

Slide 18 - Slide

Stappenplan
1. lees de hele tekst of alinea waarover de vraag gaat globaal door.
2. ga per bewering op zoek naar de passage (stuk zinsdeel) waar het antwoord staat.
3. lees deze heel goed en ga na of de bewering wel of niet klopt.

Klassikaal oefenen we met tekst 1 van examen uit 2018

Slide 19 - Slide

lang-antwoordvraag
  • open vragen --> zelf antwoord formuleren
  • altijd in het in het NL gesteld -altijd in het NL antwoorden
  • er staan specifieke eisen:
  • noem twee andere voorbeelden
  • leg in één zin uit
  • verwijswoorden zijn belangrijk. Das, diese, sie

Slide 20 - Slide

lang-antwoordvraag
het heet lang-antwoordvraag, omdat je altijd moet antwoorden met een hele zin, --> Dus geen citaatvraag

2 of meer punten

Slide 21 - Slide

Verwijswoorden
Wat zijn het?
NL:
  • De jongens liepen over het strand, zij waren erg hard aan het schreeuwen

DE:
  • Es ist gut die Eltern mit Bußgeld zu belegen. Das sollte am besten von dem Kindergeld bezahlt werden.
  • Modedesigner brauchen neben kreativen Ideeen eine Menge geduld und selbstdisziplin. Sie müssen nicht nur die Praxis beherrschen

Slide 22 - Slide

Stappenplan
  • eerst de alinea/tekst scannen op bepaalde begrippen
  • woorden uit de tekst opzoeken
  • vetgedrukte woorden in de vraag als aanwijzing gebruiken
  • gebruikmaken van verwijswoorden
  • markeer de zin waarin het antwoord staat, lees deze heel goed.





Slide 23 - Slide

citeervraag
  • open vragen --> uit de tekst het antwoord halen (overschrijven)
  • altijd in het in het NL gesteld -altijd in het DE antwoorden
  • Je moet altijd van een zin de eerste 2 woorden opschrijven

Slide 24 - Slide

citeervraag
Citeren = letterlijk overnemen van de woorden uit een tekst

Voorbeeld
- Goed -> "Diese Menschen"
- Fout -> de 3de zin van alinea 1

1 punt

Slide 25 - Slide

Stappenplan
  • Lees de vraag en bekijk wat ze willen weten
  • Lees de hele alinea/tekst nauwkeurig door
  • Bedenk voor jezelf waar de alinea/tekst over gaat
  • markeer de zin waarin het antwoord staat, lees deze heel goed.
  • Bekijk waar de zin begint (zin eindigt na een punt, uitroepteken of vraagteken)





Slide 26 - Slide

Inhoudsvraag
  • Vraagt altijd naar de inhoud van een tekst
  • Je vindt de vraag nooit letterlijk terug in de tekst
  • Het antwoord staat in andere woorden omschreven
  • Meerkeuzevraag voor 99% in het Duits gesteld

Slide 27 - Slide

Voorbeelden blz. 272
  1. Warum geht Michael so gerne in den Garten?
  2. Um welches Problem handelt es sich hier?
  3. ..... Wieso? Sie wollte... (vraag afmaken)

Slide 28 - Slide