Les 4, gram D herh. + E (19-03) 3havo

Les buts (leerdoelen):
Aan het einde van de les:
- beheers je grammaire D
- kun je de belangrijkste informatie uit een filmpje begrijpen
1 / 31
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 100 min

Items in this lesson

Les buts (leerdoelen):
Aan het einde van de les:
- beheers je grammaire D
- kun je de belangrijkste informatie uit een filmpje begrijpen

Slide 1 - Slide


Pak je werkboek, aantekeningenschrift en etui.
Ga lezen in je Nederlands boek of steek je vinger op voor een nieuwe woordzoeker.

Exercice 11A ingeleverd via Magister?


Aujourd'hui, c'est mercredi
H3A

Slide 2 - Slide

Le programme:
- Grammaire D herhalen -> passé composé met avoir / être
- E, regarder


Slide 3 - Slide

Est-ce que tout le monde est présent?
- Zijn we compleet? Wie missen we?

Slide 4 - Slide

Huiswerk bespreken:
Ouvre le livre à la page 106

Pak een rode of groene pen, zodat je de opdrachten kunt nakijken.

Les devoirs = ex. 15BCD, 16ABCD, 17

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Grammaire D herhalen:
  • Koppel je laptop met de LessonUp

Slide 8 - Slide

Grammaire:
welke zin heeft de passé composé met être?
A
J'ai fait mes devoirs.
B
Je suis rentré à la maison.

Slide 9 - Quiz

Grammaire:
welke zin heeft de passé composé met être?
A
Sophie et Jean sont retournés à Paris.
B
Sophie et Jean ont visité Paris.

Slide 10 - Quiz

Waarom verandert de vorm van het voltooid deelwoord soms bij passé composé met être?
A
De vorm past zich dan aan aan het onderwerp.
B
De vorm past zich dan aan aan het hulpwerkwoord.

Slide 11 - Quiz

Wat verandert er aan de vorm van het voltooid deelwoord bij passé composé met être?
A
niets
B
de uitgang: +e, +s, +es
C
de uitgang: +é, +és
D
het accent op é vervalt

Slide 12 - Quiz

Hoe kun je weten dat een werkwoord in de passé composé het hulpwerkwoord être heeft (en niet avoir)?
A
Als dat in het NL ook zo is.
B
Je moet het raden.

Slide 13 - Quiz

Kies de juiste vorm van de passé composé met avoir:
Nous _________ (manger) des frites.
A
a mangé
B
as mangé
C
avons mangé
D
avez mangé

Slide 14 - Quiz

Passé composé met être:
Elle est ____ (aller) au cinéma.
A
allé
B
allés
C
allées
D
allée

Slide 15 - Quiz

Kies de juiste vorm.
Elle a ___ (danser) avec sa copine.
A
dansé
B
dansée
C
dansés
D
dansées

Slide 16 - Quiz

Kies de juiste vorm:
Ils sont ___ (arriver) vers 15h.
A
arrivé
B
arrivée
C
arrivés
D
arrivées

Slide 17 - Quiz

Kies de juiste vorm. **
Luc _____ (visiter) sa grand-mère.
A
es visité
B
es visitée
C
a visité
D
as visités

Slide 18 - Quiz

Kies de juiste vorm van de passé composé met avoir:
Tu _________ (voyager) en train?
A
a voyagé
B
as voyagé
C
avons voyagé
D
avez voyagé

Slide 19 - Quiz

Kies de juiste vorm. **
Elles ___ (rester) à la maison pour regarder la série.
A
ont restées
B
ont resté
C
sont restée
D
sont restées

Slide 20 - Quiz

Je peux le faire!
Dit gaat me lukken!
-3100

Slide 21 - Poll

Les devoirs (huiswerk):
- Faire: exercice 19, 20AB, 21
- Apprendre: vocabulaire E

Slide 22 - Slide

Au travail, E regarder:
Quoi (wat)? Bekijk de online video in de methode & Fais exercice 19 (gebruik blz. 163) + 20AB + 21
Comment (hoe)? Individuellement ou ensemble en 2 (fluisteren)
Temps (tijd)? Tot het einde van de les
Prêt (klaar)? Apprendre vocabulaire E / bezig voor ander vak
Geen oortjes mee? Pak voorin een koptelefoon.

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Slide

Slide 30 - Slide

Grammaire:
welke zin heeft de passé composé met être?
A
J'ai fait mes devoirs.
B
Je suis rentré à la maison.

Slide 31 - Quiz