►Persoon: voorzetsel + wie
Je zet een voorzetsel na 'wie' als het om een persoon gaat.
'Lola kwam iemand tegen met wie ze de hele avond sprak'.
►Ding of dier: plak het voorzetsel aan 'waar'
Je plakt een voorzetsel aan het verwijswoord: je verwijst naar iets anders (zaak of dier): 'waar' + voorzetsel. '
De bloemen waarmee ik haar verblijdde'