42 + 43. Grammatica

PLANNING VAN DEZE LES
1.  Leerdoelen
2.  Persoonsvorm 
3.  Zinsdelen
4.  Quiz in LessonUp over zinsdelen
5.  Grammaticatheorie over hen, hun zij + verwijswoorden
6.   Taalblokken: theorie en opdrachten


1 / 28
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 1

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

PLANNING VAN DEZE LES
1.  Leerdoelen
2.  Persoonsvorm 
3.  Zinsdelen
4.  Quiz in LessonUp over zinsdelen
5.  Grammaticatheorie over hen, hun zij + verwijswoorden
6.   Taalblokken: theorie en opdrachten


Slide 1 - Slide

1. LEERDOELEN
Je weet waar je zinsdelen plaatst in een zin
- Je weet waarom je zinsdelen moet plaatsen
Je kunt de persoonsvorm vinden en weet hoe je het onderwerp vindt
Je weet wanneer je hen, hun en zij gebruikt 
Je weet wat een ingesloten lidwoord is
Je gebruikt het juiste verwijswoord



Slide 2 - Slide

2. PERSOONSVORM

Hoe herken je een werkwoord? 
  • doe-woord
  • eindigt in praktisch alle gevallen op -en

Zet de zin in een andere tijd en dat wat verandert van vorm, is de persoonsvorm. Belangrijk, want dat hoort bij werkwoordspelling. 




Slide 3 - Slide

PERSOONSVORM

Wat is een persoonsvorm?
► werkwoordspelling. Het is dus altijd een werkwoord. 

De persoonsvorm of pv heeft invloed op het onderwerp. Daar doet het wat mee. Daarom vind je het onderwerp door 'Wie' of 'Wat' te vragen aan wat je net hebt gevonden: de persoonsvorm.  Overigens is het antwoord op die vraag het onderwerp. 

Slide 4 - Slide

2. ZINSDELEN
Je zet streepjes meteen vóór en meteen na de persoonsvorm. 

Elk streepje markeert een woord dat of woordgroep die vóór de persoonsvorm kan staan. Die eerste, links van de pv, krijg je gratis. Je laat de pv op dezelfde plek staan en schuift een ander woord of woordgroep op de plek vóór de pv. 
Klinkt dat goed? ► Want het resultaat moet telkens een correcte Nederlandse zin zijn.  



Slide 5 - Slide

ZINSDELEN
De zinsdelen van de zin 'Bij mijn buren hebben ze een nieuwe hond', zijn: 

Bij mijn buren | hebben | ze | een nieuwe hond.

... want dit zijn ook allemaal goede zinnen in het Nederlands:
- Ze | hebben | bij mijn buren | een nieuwe hond.
- Een nieuwe hond | hebben | ze | bij mijn buren.

Slide 6 - Slide

ZINSDELEN
Er zijn twee manieren van ontleden. Bij deze, de redekundige, benoem je telkens elk zinsdeel 1x. Zo is één zinsdeel (het) onderwerp; één zinsdeel is de persoonsvorm. 

De persoonsvorm is ook onderdeel van het ww. gez. (alle ww's in de zin), daarom benoem je de pv 2x. ► neem de pv dus mee als het werkwoordelijk gez. wordt gevraagd. 





Slide 7 - Slide

4. QUIZ IN LESSONUP

Over zinsdelen

Slide 8 - Slide

Is de onderstaande zin juist verdeeld in zinsdelen?

'De jonge held | kreeg | een onderscheiding.'
A
juist
B
onjuist

Slide 9 - Quiz

Is onderstaande zin juist verdeeld in zinsdelen?

'Koala's | eten | geen | vlees.'
A
juist
B
onjuist

Slide 10 - Quiz

'Lotte schrijft.'

Uit hoeveel zinsdelen bestaat bovenstaande zin?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 11 - Quiz

'Jermain voetbalt op het veld.'

Uit hoeveel zinsdelen bestaat bovenstaande zin?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 12 - Quiz

'De mooie vogel vliegt in de lucht.'

Uit hoeveel zinsdelen bestaat bovenstaande zin?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 13 - Quiz

Hoeveel zinsdelen heeft onderstaande zin?

'De fiets van Senna stond in de schuur van mijn ouders.'
A
3
B
4
C
5
D
6

Slide 14 - Quiz

Hoeveel zinsdelen heeft onderstaande zin?

'Thuis heeft iedereen een eigen computer.'
A
2
B
3
C
4
D
5

Slide 15 - Quiz

Is onderstaande zin correct verdeeld in zinsdelen?

'Om half drie | gaat | Joudi | trainen.'
A
juist
B
onjuist

Slide 16 - Quiz

Uit hoeveel zinsdelen bestaat onderstaande zin?

'Finn maakte een PowerPoint-presentatie.'
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 17 - Quiz

Is onderstaande zin correct verdeeld in zinsdelen?

'Gisteren | is | Sander | gevallen.'
A
juist
B
onjuist

Slide 18 - Quiz

5. GRAMMATICA
Hen, hun, zij

Verwijswoorden


Slide 19 - Slide

HEN, HUN, ZIJ (5.3)
►Hen: altijd als er een kastwoord voorstaat. [85 %]
Middenin de zin. 

►Hun: alleen als het om bezit gaat. [5 %]
Middenin de zin.

►Zij/ze: altijd en alleen het onderwerp. [10 %]
Vooraan. 

Slide 20 - Slide

VERWIJSWOORDEN (5.4)
►Persoon: voorzetsel + wie
Je zet een voorzetsel na 'wie' als het om een persoon gaat. 
'Lola kwam iemand tegen met wie ze de hele avond sprak'. 

Ding of dier: plak het voorzetsel aan 'waar'
Je plakt een voorzetsel aan het verwijswoord: je verwijst naar iets anders (zaak of dier): 'waar' + voorzetsel. '
De bloemen waarmee ik haar verblijdde'  





Slide 21 - Slide

VERWIJSWOORDEN (5.4)
►Die: de jongen die daar loopt (want 'de').

►Dat: het meisje dat daar loopt (want 'het'). 


Op de volgende slide een 'weet je nog'-moment:



Slide 22 - Slide

INGESLOTEN LIDWOORD
Het-woorden (enkelvoud)         De-woorden (enkelvoud of                krijgen:                                            meervoud) krijgen: 
Dat                                             Die

Slide 23 - Slide

VERWIJSWOORDEN (5.4)
Mannelijk / vrouwelijk
Kijk naar het zelfstandig nw. Wat is het ingesloten lidwoord? 
- Als dat 'het' is, is het verwijswoord mannelijk. 

Woorden die eindigen op -ie, -ing, -heid, -theek of -teit zijn vrouwelijk.
'De militie heeft haar zinnen gezet op het veroveren van grensgebied'


Slide 24 - Slide

VERWIJSWOORDEN (5.4)
Persoonlijk voornaamwoord (altijd onderwerp)
enkelvoud   1. ik       2. jij/je          3. hij/zij/het/u/men/er
meervoud   1. wij     2. jullie         3. zij/ze


Bezittelijk voornaamwoord (altijd vóór een zelfstandig nw)
enkelvoud   1. mijn   2. jouw/je     3. zijn/haar/zijn/uw/uw/zijn
meervoud   1. ons     2. jullie/uw   3. hun

Slide 25 - Slide

OPDRACHTEN IN TAALBLOKKEN
Module - 1F | 2F | 3F Grammatica en Spelling ► Hoofdstuk 5 Grammatica 3F


Doel: je moet het begrijpen. Daarna kan je het (goed) toepassen.



Slide 26 - Slide

HEN, HUN, ZIJ + VERWIJSWOORDEN
Ga naar 5.3: Hen, hun, zij 
- Maak opdracht 2 en 3.
- Leesleer telkens de theorie aan de linkerkant.

Ga naar 5.4: Verwijswoorden
- Maak de opdrachten.
- Leesleer telkens de theorie aan de linkerkant.

► Je krijgt hier dit lesuur en het volgende de tijd voor. 


Slide 27 - Slide

EINDE VAN DE LES

Slide 28 - Slide