Voedingstoffen


Mens en omgeving
Hoofdstuk 1: Voedingstoffen

1 / 60
next
Slide 1: Slide
Zorg en WelzijnMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 60 slides, with interactive quizzes, text slides and 4 videos.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson


Mens en omgeving
Hoofdstuk 1: Voedingstoffen

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
De leerling kan:
- De verschillen benoemen tussen micro- en macro-voedingstoffen.
- Kan aangeven wat de functie 'energie geven' inhoudt.  

Slide 2 - Slide

Voedingstoffen

Slide 3 - Mind map

Voedingstoffen zijn stoffen die in ons voedsel zitten en die wij nodig hebben om ons lichaam gezond te houden.

Slide 4 - Slide

Hoeveel voedingstoffen heeft iemand nodig?
Dit hangt van de volgende kenmerken af:
- Het geslacht
- De leeftijd
- Het soort arbeid

Slide 5 - Slide

Macro en micro voedingstoffen
Macro: (geven energie, bevatten calorieen.)
Eiwitten
Koolhydraten
Vetten

Micro: (geven geen energie)
Vitamines en mineralen

Slide 6 - Slide

Wat zijn voedingstoffen?

Slide 7 - Open question


Welke kenmerken zijn afhankelijk voor de hoeveelheid voedingstoffen die iemand nodig heeft?
A
geslacht, lengte en werk.
B
geslacht, leeftijd en werk.
C
gewicht, spiermassa en werk.
D
gewicht, vochtgehalte en werk.

Slide 8 - Quiz

Macro-voedingstoffen zijn groot zoals eiwitten, koolhydraten en vetten.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 9 - Quiz

Slide 10 - Video

Functies van voedingstoffen
- Opbouw van ons lichaam.
- Het regelen van lichaamsprocessen.
- Energie geven.

Slide 11 - Slide

Energie geven
Voedingstoffen leveren het lichaam energie om goed te kunnen functioneren.
Dit heb je nodig om:
- Te bewegen
- Te werken
- Regeling lichaamstemperatuur op 37°C
ENERGIE WORDT GEMETEN IN KILOCALORIEEN OF KILOJOULES.

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Video

1 kilocalorie (Kcal) = 4,2 kilojoules (KJ)
Meestal worden op verpakkingen kilocalorie gebruikt dus Kcal.

Slide 14 - Slide

1 gram vet = 9 Kcal
1 gram koolhydraten = 4 Kcal
1 gram eiwit = 4 Kcal
1 gram alcohol = 7 Kcal

Water + vitaminen + mineralen leveren geen calorieen.

Slide 15 - Slide

Huiswerk
Maken opdracht 1.01


Slide 16 - Slide

Leerdoelen 
De leerling kan:
- De verschillen benoemen tussen micro- en macro-voedingstoffen.
- Kan aangeven wat de functie 'energie geven' inhoudt.  

Slide 17 - Slide

Tijdsplanning
  • Introductie 5 minuten
  • Vorige les kort bespreken 10 minuten 
  • Huiswerk nakijken 10 minuten 
  • Interactieve les 50 minuten 
  • Huiswerk 20 minuten 
  • Broodjes gezond kijken 25 minuten 
  • Bespreken broodje gezond 10 minuten 
  • Afsluiten 10 minuten 

Slide 18 - Slide

Wat is de functie van voedingsstoffen?

Slide 19 - Open question

Vitaminen en mineralen leveren ons lichaam energie.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 20 - Quiz

Het is belangrijk om iedere dag 2 stuks fruit en 200 gram groente te eten.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 21 - Quiz

Van welke factoren hangt de behoefte aan voedingsmiddelen af om goed te kunnen functioneren?

Slide 22 - Open question

Energiebalans
Voor een gezond gewicht moet je dus net zoveel 'energie' eten als je verbruikt.

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Video

Micro-voedingstoffen
- Kleine voedingstoffen. 
- We hebben vitamine nodig om goed te kunnen functioneren. 
- Vitamine leveren GEEN energie.

Bekijk op bladzijde 134 en 135 een schema over verschillende vitaminen. 

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Video

Vitaminen
A: Huid, ogen, groei en weerstand. 
Lever, vis, (half)volle melk, groente, wortel, melkproducten en boter. 

B1:
Varkensvlees en graanproducten 

B2: 
Melk(producten), vlees(waren), groente, fruit en graanproducten.

Slide 27 - Slide

B3:
Vlees, vis, graanproducten, groente en fruit.

B5:
Vlees, vis, eieren, aardappelen, melk(producten), groente en fruit.

B6:
Vlees, eieren, vis, graanproducten, aardappelen en peulvruchten. 

Slide 28 - Slide

B8:
Eieren, melk, sojaproducten, noten en pinda's.

B11 foliumzuur:
Groente, fruit en volkoren producten.

B12:
Komt alleen voor in voedingsmiddelen van dierlijke afkomst. Vegetariers en veganisten moeten hier extra op letten. 

Slide 29 - Slide

C: Sinaasappelen!
Groente, fruit en aardappelen. (Paprika, broccoli, kiwi, peterselie en rozebottel)
Vitamine C in voeding neemt snel af door hitte of het openen van een pak vruchtensap. Door een pak te schudden neemt de vitamine C ook af.

D: Belangrijk voor je botten. 
Zonlicht!
Komt voor in voedingsmiddelen van dierlijke afkomst. Deze bevatten weinig vitamine D. Vette vis bevat daarentegen wel voldoende vitamine D. 

Slide 30 - Slide

E:
Plantaardige olien en plantaardige producten zoals granen, noten, zaden, groenten en fruit. 
Dierlijke producten zijn arm aan vitamine E.

K:
Het lichaam maakt zelf vitamine K aan. 
Spinazie, broccoli en olien. 


Slide 31 - Slide

Mineralen 
- Voedingszouten
- Mineralen komen uit de aardkorst. 
- Het lichaam kan mineralen niet zelf aanmaken. 

Voorbeelden
Ijzer, zink, koper, magnesium, selenium, kalium, calcium, fosfor en jodium. 

Slide 32 - Slide

- Het vervoeren van zuurstof in het bloed. 
- In melk zit veel calcium, belangrijk voor je botten.
- Vlees bevat veel ijzer. 
- Helpt bloedarmoede te voorkomen. 


Slide 33 - Slide

Welke vitamine is goed voor de ogen.
Denk hierbij aan wortels.
A
Vitamine A
B
Vitamine B12
C
Vitamine E
D
Vitamine K

Slide 34 - Quiz

Welke vitamine worden door middel van uv-stralen in ons lichaam aangemaakt?
A
Vitamine A
B
Vitamine B6
C
Vitamine C
D
Vitamine D

Slide 35 - Quiz

Welke vitamine wordt door ons lichaam zelf aangemaakt?
A
Vitamine B1
B
Vitamine C
C
Vitamine E
D
Vitamine K

Slide 36 - Quiz

Welke groep mensen moet zich bewust zijn van het innemen van vitamine B12?

Slide 37 - Open question

Mineralen zijn nodig voor het vervoeren van zuurstof in het bloed en het voorkomen van bloedarmoede.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 38 - Quiz

Huiswerk
Boek: 1.02 t/m 1.05
Schrift: 1.1 t/m 1.5

Slide 39 - Slide

Macro-voedingsstoffen
Macro-voedingsstoffen zijn 'grote' voedingsstoffen.

Eiwitten
Koolhydraten 
Vetten 

Deze leveren energie aan het lichaam zodat je kunt functioneren. 

Slide 40 - Slide

Eiwitten 
Eiwitten zitten onder andere in vlees, vis, vleesvervangers, melk, melkproducten, en eieren.
Ook plantaardige producten bevatten eiwitten zoals bonen, peulvruchten, groenten, noten en zaden.
Het lichaam gebruikt eiwitten als bouwstof voor de lichaamscellen.
Huid, spieren, botten en bloed zijn opgebouwd uit eiwitten. Het lichaam heeft eiwitten nodig om nieuwe cellen aan te maken en de oude te vernieuwen. 

Slide 41 - Slide

Peulvruchten 

Slide 42 - Slide

Koolhydraten 
Koolhydraten zitten in brood, ontbijtgranen, aardappelen, peulvruchten, groente en graanproducten zoals rijst, pasta en couscous. 

Koolhydraten geven het lichaam energie (brandstof).
Iemand die veel sport gebruikt veel koolhydraten. 

Slide 43 - Slide

Vetten
Vetten en olien worden gebruikt voor het besmeren van je boterham, maar ook bij het koken en bakken. 
Salade maken we bijvoorbeeld aan met olie.

Vetten en olien bevatten vitaminen A, D, en E. 
Vet geeft energie en is een belangrijke brandstof voor je lichaam. 

Slide 44 - Slide

Soorten vetten 
Verzadigd vet

Verzadigd vet is ONGEZOND. Verzadigd vet heeft een vaste vorm bij kamertemperatuur. Bij hitte smelt het. 
Verzadigd vet komt vooral voor in harde pakjes margarine en bak- braadvet in een wikkel. 
Meestal kun je niet zien dat er verzadigd vet in zit daarom noemen we het verborgen vet

Slide 45 - Slide

Waar zit verzadigd vet in?
  • Volvette kaas (48+)
  • Worst 
  • Vet vlees
  • Volle melkproducten
  • Gebak
  • Snacks en zoutjes 
  • Chocolade
  • Koekjes 

Verhoogd je slechte cholesterol en dat verhoogt de kans op hart- en vaatziekten. 

Slide 46 - Slide

Onverzadigd vet is OKE!!
Komt voor in olien, vis en eieren. Onverzadigd vet verhoogt het goede cholesterol en verlaagt het slechte cholesterol. 
Daardoor worden mensen beschermt tegen hart- en vaatziekten. 

Vet dat zacht is bij kamertemperatuur bevat relatief veel onverzadigd vet. 

Slide 47 - Slide

Al het vet dat vloeibaar is, is gezonder.

Gebruik daarom: 
- Geen margarine of roomboter maar bijvoorbeeld vloeibare bakboter.
- Geen boter maar olie.
- Geen frituurvet maar frituurolie. 

Slide 48 - Slide

Slide 49 - Link

Vezels
  • Zorgen voor een verzadigd vol gevoel
  • Helpen je op gewicht te blijven 
  • Zorgen voor een goede stoelgang 
  • Bevinden zich in brood, groente en granen 

Slide 50 - Slide

Water
Elke dag verliezen wij vocht door te zweten en te plassen.
Door te plassen raak je afvalstoffen kwijt. 
Door te transpireren raak je lichaam warmte kwijt. 

Vocht is nodig voor het transport van voedingstoffen in het bloed en de temperatuurregeling van het lichaam. Daarnaast helpt het afval af te voeren, via urine en ontlasting. 

Slide 51 - Slide

Je hebt per dag 1,5 liter vocht nodig 

Slide 52 - Slide

Wat is de functie van eiwitten voor ons lichaam?
A
Ze vervoeren zuurstof door het bloed
B
Ze zorgen voor een glanzende huid
C
Bouwstof voor de lichaamscellen

Slide 53 - Quiz

Welk macrovoedingsmiddel heb je als sporter vooral nodig?
A
Koolhydraten
B
Vetten
C
Eiwitten

Slide 54 - Quiz

Welk soort vet is goed voor ons lichaam?
A
Verzadigd vet
B
Onverzadigd vet

Slide 55 - Quiz

Hoe zachter het vet is, hoe beter dit is voor je lichaam.
Denk hierbij aan bak- en braadboter.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 56 - Quiz

Noem minimaal 2 voordelen van het eten van vezels.

Slide 57 - Open question

Waarom is water het beste vocht dat een mens kan drinken voor het lichaam?

Slide 58 - Open question

Opdracht
Suikers


Slide 59 - Slide

Huiswerk
Boek opdracht 1.05 t/m 1.13
Schrift 1.5 t/m 1.7

Meenemen voor maandag:
Een lege verpakking 

Donderdag toets P1 H1!!!


Slide 60 - Slide