TaalCompleet A1 - thema 5 - 5.7 Naar de dokter

5.7 Naar de dokter
  1. ziek
  2. de dokter
  3. het medicijn
  4. de apotheek
  5. het ziekenhuis
  6. het probleem
  7. Ik heb last van ...
  8. soms
  9. halen
  10. ander
  11. bijvoorbeeld








1 / 24
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

5.7 Naar de dokter
  1. ziek
  2. de dokter
  3. het medicijn
  4. de apotheek
  5. het ziekenhuis
  6. het probleem
  7. Ik heb last van ...
  8. soms
  9. halen
  10. ander
  11. bijvoorbeeld








Slide 1 - Slide

ziek
  • je naar voelen omdat er iets met je lichaam niet in orde is

  • zin: Zij ligt in bed, want zij is ziek.

Slide 2 - Slide

de dokter
  • de arts, de huisarts 

  • de dokter - de dokters

  • zin: De dokter praat met haar patiënt.

Slide 3 - Slide

het medicijn
  • middel om een ziekte te voorkomen of te genezen

  • het medicijn - de medicijnen

  • zin: Welk medicijn heeft de dokter op het recept geschreven?

Slide 4 - Slide

de apotheek
  • winkel waar je medicijnen ophaalt met een recept van de dokter of koopt

  • de apotheek - de apotheken

  • zin: De dokter heeft mij een recept gegeven. Met het het recept kun je de medicijnen bij de apotheek ophalen.

  • Bij de drogist kun je alleen medicijnen zonder recept kopen.

Slide 5 - Slide

het ziekenhuis
  • gebouw waar zieken worden onderzocht, behandeld en verpleegd

  • het ziekenhuis - de ziekenhuizen

  • zin: Hij ligt al een week in het ziekenhuis.

Slide 6 - Slide

het probleem
Ik heb last van ...
  • waar niet meteen een antwoord of een oplossing is

  • het probleem - de problemen

  • zinnen: 
  • De huisarts vraagt: Wat is het probleem?
  • De patiënt zegt: Ik heb last van mijn buik.

Slide 7 - Slide

soms
  • af en toe
  • niet vaak

  • zinnen: 
  • Soms ga ik met de fiets naar school.
  • Meestal ga ik lopend naar school.

Slide 8 - Slide

halen (ww)
  • er naar toe gaan en het meenemen

  • Ik haal
  • Jij haalt - Haal jij?
  • Hij haalt
  • Wij / Jullie / Zij halen

  • zin: Haal jij de medicijnen bij de apotheek op?

Slide 9 - Slide

ander
  • ander => het-woord 
  • zin: Ik heb een ander probleem.
  • het probleem
  • andere => de-woord
  • zin: Ik ga naar een andere dokter. 
  • de dokter

  • ander <-> hetzelfde

  • zin: Ik heb andere medicijnen van de apotheek gekregen.

Slide 10 - Slide

bijvoorbeeld
  • zin: Je moet fruit eten. Bijvoorbeeld appels.

Slide 11 - Slide

Maak een zin met het woord 'ziek'.

Slide 12 - Open question

Wat is een ander woord voor
'de dokter'?
A
de huisarts
B
de arts
C
de apotheker
D
de assistente

Slide 13 - Quiz

Wat is het meervoud van
'het medicijn'?
(lidwoord + zelfstandig naamwoord)

Slide 14 - Open question

Wat is het meervoud van
'de apotheek'?
(lidwoord + zelfstandig naamwoord)

Slide 15 - Open question

Wat is het meervoud van
'het ziekenhuis'?
A
het ziekenhuizen
B
de ziekenhuizen
C
de ziekenhuisen
D
de ziekenhuissen

Slide 16 - Quiz

Maak een zin met het woord
'het probleem'.

Slide 17 - Open question

Ik heb last van mijn buik.
Wat betekent bijna hetzelfde?
A
Mijn buik heeft koorts.
B
Ik heb geen pijn in mijn buik.
C
Mijn buik is mooi.
D
Ik heb pijn in mijn buik.

Slide 18 - Quiz

Maak een zin met het woord 'soms'.

Slide 19 - Open question

Ik ... mijn medicijnen bij de apotheek op.
A
haalt
B
halt
C
haal
D
halen

Slide 20 - Quiz

ander
andere
Ik heb een ... probleem.
Ik ga naar een ... ziekenhuis.
Ik ga naar een ... dokter.
Ik ga naar een ... tandarts.

Slide 21 - Drag question

Je moet veel groente eten.
... bloemkool.

Slide 22 - Open question

Filmpjes kijken
Welke woorden ken jij nog niet?
Schrijf de woorden op!

Slide 23 - Slide

5.7 Naar de dokter
  1. ziek
  2. de dokter
  3. het medicijn
  4. de apotheek
  5. het ziekenhuis
  6. het probleem
  7. Ik heb last van ...
  8. soms
  9. halen
  10. ander
  11. bijvoorbeeld








Slide 24 - Slide