Les 8 §14 betr. vnw

Lesplanning

* stillezen in je leesboek
* bespreken huiswerk
* theorie §14 betr.vnw
* oefeningen
* alle ws voor so


Lesdoel

Aan het eind van de 
les kan/weet ik:
* een betrekkelijk voornaamwoord (betr.vnw) in een zin herkennen en benoemen.

timer
10:00
1 / 24
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Lesplanning

* stillezen in je leesboek
* bespreken huiswerk
* theorie §14 betr.vnw
* oefeningen
* alle ws voor so


Lesdoel

Aan het eind van de 
les kan/weet ik:
* een betrekkelijk voornaamwoord (betr.vnw) in een zin herkennen en benoemen.

timer
10:00

Slide 1 - Slide

Huiswerk
C5 grammatica §14
lezen theorie
maken opdr. 1

Slide 2 - Slide

Keuzemoment
1. Lees zelf nogmaals de theorie en maak daarna opdrachten 2 t/m 4.
2. Doe mee met de uitleg en maak daarna de opdrachten.

Slide 3 - Slide

Betrekkelijk voornaamwoord
  • Betrekkelijke voornaamwoorden verwijzen naar een voorafgaand zinsdeel: het antecedent. 
  • Zij hebben dus betrekking op een ander in de zin genoemd zinsdeel. 
  • Betrekkelijke voornaamwoorden: die, dat, wie en wat
  • Het antecedent staat meestal vlak voor het betr. vnw.

Slide 4 - Slide

Betrekkelijk voornaamwoorden:
  • Die (tenzij je 'die' kunt vervangen door 'deze' - > aanw. vnw)
  • Dat (tenzij je 'dat' kunt vervangen door 'dit' - > aanw. vnw)
  • Wie (let op: wie, wat, welke kunnen ook vr.vnw zijn)
  • Wat  (let op: wie, wat, welke kunnen ook vr.vnw zijn)
  • (welke, hetgeen, waarmee: komen ook af en toe voor als betr. vnw)

Slide 5 - Slide

Het betr.vnw DIE/ DAT gebruiken
  • Met die verwijs je naar de-woorden.

  • Met dat verwijs je naar het-woorden.

Slide 6 - Slide

betr.vnw. DIE
De fiets die ik heb gekocht fietst heerlijk!

Die - heeft betrekking op 'de fiets'

De fiets is het antecedent.

Slide 7 - Slide

Betr.vnw DAT
Het kind dat bij de tandarts was, was blij.

Dat - heeft betrekking op het kind.

Het kind is het antecedent.



Slide 8 - Slide

Het betr.vnw WAT gebruiken
'Wat' gebruik je:
- als je naar de woorden iets, niets, alles of het enige verwijst;
- na een voornaamwoord dat of datgene;
- na een overtreffende trap of na een (rang)telwoord;
- als het terugslaat op een hele zin;
- als het antecedent niet genoemd is.

Slide 9 - Slide

Betr. vnw. WAT
Een dagje naar Disney gaan, is het leukste wat ik ooit gedaan heb.

Wat - heeft betrekking op een dagje naar Disney gaan.

een dagje naar Disney gaan is antecedent

Slide 10 - Slide

Het betr.vnw WIE gebruiken
  • Wie gebruik je als je naar een persoon verwijst. 
  • Wie is het meewerkend voorwerp in de bijzin. Meestal wordt hier die of aan wie gebruikt.

vb. De rechters wie de vraag was voorgelegd, spraken zich duidelijk uit.

Slide 11 - Slide

Betr. vnw. WIE
De jongen van wie zijn laptop is gevallen, is erg geschrokken.

Wie - heeft betrekking op de jongen

De jongen is antecedent

Slide 12 - Slide

Betr.vnw met ingesloten antecedent (betr.vnw m.i.a.)
= als er geen antecedent is in de zin

Betreft alleen de woorden wie en wat

Tip:
Wie moet je kunnen vervangen door degene die
Wat moet je kunnen vervangen door datgene wat

Slide 13 - Slide

Betr.vnw m.i.a. WIE
Wie de bal daar neer heeft gelegd, blijft een raadsel.

Wie - kun je vervangen door 'degene die' = betr. vnw m.i.a.

Er is dus geen antecedent.

Slide 14 - Slide

Betr.vnw m.i.a. WAT
Wat daar is gebeurd, kan ik niet navertellen.

Wat - kun je vervangen door 'datgene wat' = betr. vnw m.i.a.

Er is dus geen antecedent.

Slide 15 - Slide

ZELFSTANDIG WERKEN
Wat:
Maak opdracht 2 t/m 4
C5 §14
Hoe:
In je schrift
Je mag fluisterend overleggen.
Hulp:
Theorie uit je boek of je aantekeningen
Docent (hand omhoog)
Tijd:
15 minuten
Klaar:
Opdracht 5 van C5 §14

timer
15:00

Slide 16 - Slide

Alle woordsoorten
Pak je spiekbriefje erbij (je hulpkaart) en vul of pas aan als dat nodig is. 

Slide 17 - Slide

De belangrijkste betrekkelijke voornaamwoorden zijn...
A
die, dat, zus, zo
B
zijn, haar, ons
C
die, dat, wie , wat
D
hij, zij, wij

Slide 18 - Quiz

Kies het juiste betrekkelijk voornaamwoord.

Hij zei iets ... ik niet begreep.
A
die
B
wie
C
dat
D
wat

Slide 19 - Quiz

Wat is een zin met een betrekkelijk voornaamwoord?
A
Die jongen daar is mijn neefje.
B
De jongen, die daar loopt, is mijn neefje
C
Hoe heet die jongen?
D
Dat jongetje is mijn neefje.

Slide 20 - Quiz


Wat zijn / doen betrekkelijke voornaamwoorden?
A
Verwijzen naar een eerder genoemd woord in de zin.
B
Woorden waar je de, het of een voor kan zetten.
C
Alle werkwoorden in een zin.
D
Ze geven informatie over het zelfstandig naamwoord.

Slide 21 - Quiz

Welke vragen heb je nog?

Slide 22 - Open question

Ik kan het betrekkelijk voornaamwoord herkennen en benoemen.
0 = echt (nog) niet / 10 = absoluut wel
-110

Slide 23 - Poll

Hoe vind je zelf dat je gewerkt hebt?
😒🙁😐🙂😃

Slide 24 - Poll